Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2583

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200809108/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tholen (hierna: het college) [appellant] gesommeerd de bouwactiviteiten aan een kiemkas op het perceel [locatie] ongenummerd te [plaats], kadastraal bekend sectie [.] nummer [….], met onmiddellijke ingang te (doen) staken.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 43
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/649

Uitspraak

200809108/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 november 2008 in zaak nr. 08/204 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tholen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tholen (hierna: het college) [appellant] gesommeerd de bouwactiviteiten aan een kiemkas op het perceel [locatie] ongenummerd te [plaats], kadastraal bekend sectie [.] nummer [….], met onmiddellijke ingang te (doen) staken.

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2008, verzonden op 7 november 2008, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J. van Alten, werkzaam bij Van Alten Juridisch Advies, en het college, vertegenwoordigd door L. Boer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder b, van de Woningwet is geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat tot het gewone onderhoud behoort.

2.2. Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of de bouwactiviteiten aan de kiemkas bouwvergunningplichtig zijn.

2.2.1. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat geen bouwvergunning vereist is, aangezien de bouwwerkzaamheden zijn verricht in het kader van achterstallig groot onderhoud.

De bouwwerkzaamheden bestaan uit het plaatsen van houten panelen tegen de glazen zijgevels van de kiemkas over een lengte van 62 m. Tevens zijn de deuren vervangen door nieuwe houten deuren en is het dak gerepareerd. Verder zijn de houten wanden voorzien van raamkozijnen. Gezien de aard en omvang van deze werkzaamheden heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat van gewoon onderhoud aan de kiemkas als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder b, van de Woningwet geen sprake is.

2.2.2. Uit vorenstaande volgt dat voor de werkzaamheden een bouwvergunning is vereist, zodat het college bevoegd was tot handhavend optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college van handhaving diende af te zien omdat een concreet zicht op legalisatie bestaat. [appellant] voert daartoe aan dat het gebruik van de kiemkas als opslagloods op grond van het overgangsrecht is toegestaan, aangezien het bouwwerk reeds tientallen jaren als zodanig in gebruik is en mitsdien bouwvergunning kan worden verleend

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2003, in zaak nr. 200204380/1, brengt de omstandigheid dat bepaald gebruik ingevolge overgangsrecht is toegestaan niet mee dat ten behoeve van dat gebruik ook mag worden gebouwd. Zo het gebruik van de kiemkas voor opslag van hout en plaatmateriaal ten behoeve van het bedrijf van [appellant] ingevolge het gebruiksovergangsrecht al is toegestaan, betekent dat dan ook niet dat ten behoeve van dit gebruik mag worden gebouwd. Nu het college niet bereid is vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Het betoog slaagt niet.

2.5. Het betoog van [appellant] dat het college had dienen af te zien van handhaving omdat het college in vergelijkbare gevallen in de nabije omgeving evenmin handhavend heeft opgetreden, slaagt niet nu [appellant] dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd.

2.6. Voor het overige heeft [appellant] in hoger beroep volstaan met verwijzing naar hetgeen hij eerder in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. In hetgeen [appellant] eerder heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen aanleiding hoeven zien het beroep gegrond te verklaren. De rechtbank heeft het beroep op goede gronden verworpen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

270-604.