Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200900266/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) aan de stichting Stichting Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen (hierna: de stichting) vrijstelling verleend voor het gebruik van de percelen behorende bij Huis de Voorst te Eefde ten behoeve van horeca-activiteiten en erfgoedlogies.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2009/96 met annotatie van Arents

Uitspraak

200900266/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats], en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 december 2008 in zaak nr. 08/246 in het geding tussen:

[appellante] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) aan de stichting Stichting Geldersch Landschap en Geldersche Kasteelen (hierna: de stichting) vrijstelling verleend voor het gebruik van de percelen behorende bij Huis de Voorst te Eefde ten behoeve van horeca-activiteiten en erfgoedlogies.

Bij uitspraak van 4 december 2008, verzonden op 5 december 2008, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellante] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2009, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] en anderen betogen - kort weergegeven - dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid vrijstelling te verlenen voor het gebruik van Huis de Voorst voor horeca-activiteiten. Zij stellen geluidsoverlast te ondervinden van deze activiteiten. Zij voeren daartoe aan dat niet aan de in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) opgenomen grenswaarden wordt voldaan en dat zij betwijfelen of afdoende akoestische maatregelen kunnen worden getroffen.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 mei 2008 in zaak nr. 200708226/1), dient de vraag of het project voldoet aan de krachtens het Besluit te stellen geluidsnormen te worden bezien in een procedure krachtens de Wet milieubeheer. Thans kan slechts aan de orde zijn de vraag of aanleiding bestond voor het oordeel dat de vrijstelling niet kan worden verleend, omdat ernstig moet worden betwijfeld of kan worden voldaan aan de in het Besluit opgenomen geluidgrenswaarden.

2.3. In de aan het besluit tot het verlenen van vrijstelling ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing is slechts gesteld dat de activiteiten dienen te worden gemeld op grond van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, thans het hiervoor vermelde Besluit, en dat bij deze melding een akoestisch onderzoek dient te worden gevoegd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien nodig, met toepassing van het Besluit maatwerkvoorschriften worden opgelegd.

Uit het bij de rechtbank overgelegde rapport "Akoestisch onderzoek Huis de Voorst" van 18 augustus 2008, dat in opdracht van Huis de Voorst is opgesteld, volgt dat bij een binnenniveau van 105 dB(A) muziekgeluid overschrijdingen optreden van de volgens het Besluit toelaatbare geluidsniveaus ter plaatse van de omliggende woningen, waaronder de recreatiewoning van [appellante] en anderen. Blijkens het onderzoek zijn de openstaande raampartijen en deuren de maatgevende bronnen voor de overschrijding van de in het Besluit opgenomen geluidgrenswaarden, welke overschrijding volgens het onderzoek eenvoudig is te reduceren door het sluiten van de ramen en deuren. Voorts kunnen blijkens het onderzoek andere maatregelen worden getroffen om verdere overschrijdingen van de in het Besluit opgenomen grenswaarden tegen te gaan. Het betreft het isoleren van de zwakke geveldelen dan wel het aanschaffen van geluidsapparatuur waarmee het binnenniveau van het muziekgeluid wordt gereduceerd.

2.3.1. In zijn verweerschrift heeft het college aangegeven dat aanvullend akoestisch onderzoek in voorbereiding is en dat op grond van gegevens uit dat akoestisch onderzoek maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit kunnen worden opgelegd ter voorkoming van geluidoverlast.

Bij brief van 24 maart 2009 heeft het college het bedoelde aanvullend onderzoeksrapport "Akoestisch onderzoek Huis de Voorst te Eefde", opgesteld door Witteveen+Bos, gedateerd 13 maart 2009, overgelegd. Ook uit dit onderzoek volgt dat bij een binnenniveau van 105 dB(A) muziekgeluid overschrijdingen optreden van de volgens het Besluit toelaatbare niveaus ter plaatse van de omliggende woningen. In het rapport staat dat maatregelen kunnen worden getroffen om overschrijding tegen te gaan, te weten het terugbrengen van het geluidniveau tijdens live optredens en het isoleren van het gebouw. Met betrekking tot bronmaatregelen staat in de conclusie van het rapport dat deze praktisch gezien niet uitvoerbaar zijn. Met betrekking tot het isoleren van het gebouw noemt het rapport mogelijke maatregelen. In dit verband wordt gewezen op de monumentale status van het gebouw. Uit de resultaten van de berekeningen blijkt echter dat, ook nadat de mogelijke geluidreducerende maatregelen zijn genomen, ter plaatse van de recreatiewoning van [appellante] en anderen een overschrijding van de normen resteert in de avond- en nachtperiode van 3, respectievelijk 8 dB(A). In de conclusie van het rapport staat dat het aan het college is af te wegen in hoeverre deze geluidbelasting op de recreatiewoning acceptabel is.

2.4. Uit het laatstgenoemde rapport blijkt dat de in geding zijnde gebruiksvrijstelling, zelfs indien de in het onderzoek genoemde geluidreducerende maatregelen in aanmerking zijn genomen, een niet onaanzienlijke overschrijding van de toelaatbare geluidsniveaus ter plaatse van de recreatiewoning van [appellante] en anderen met zich brengt. Dit klemt te meer, nu op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting geen duidelijkheid bestaat over welke maatregelen worden genomen en, mede gelet op de monumentale status van Huis de Voorst, of deze maatregelen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Voorts geeft het besluit waarin de vrijstelling is verleend van de in de conclusie van het rapport bedoelde afweging geen blijk.

Gelet op het vorenstaande heeft het college met de ruimtelijke onderbouwing noch met de hiervoor genoemde onderzoeken voldoende gemotiveerd of de ernstige twijfel of naleving van de in het Besluit opgenomen geluidgrenswaarden mogelijk is, is weggenomen. Het besluit mist op dit punt derhalve een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 januari 2008 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, eveneens voor vernietiging in aanmerking.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 4 december 2008 in zaak nr. 08/246;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lochem van 3 januari 2008, kenmerk ROV/2007-005596;

V. gelast dat het college aan [appellante] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

357.