Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200805547/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) [wederpartijen] onder oplegging van een dwangsom gelast de aangebrachte bouwkundige voorzieningen, bestaande uit een keuken, badkamer en overige sanitaire voorzieningen die het achterste gedeelte van de boerderij op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geschikt maken voor bewoning, te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik van het achterste gedeelte van de boerderij als woning te staken en gestaakt te houden.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Woningwet 43
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/80
Gst. 2009, 91
ABkort 2009/322

Uitspraak

200805547/1/H1.

Datum uitspraak: 15 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 mei 2008 in zaak nr. 07/1751 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel (hierna: het college) [wederpartijen] onder oplegging van een dwangsom gelast de aangebrachte bouwkundige voorzieningen, bestaande uit een keuken, badkamer en overige sanitaire voorzieningen die het achterste gedeelte van de boerderij op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geschikt maken voor bewoning, te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik van het achterste gedeelte van de boerderij als woning te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 3 april 2007 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 mei 2008, verzonden op 9 juni 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 april 2007 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellanten sub 2] bij afzonderlijke brieven, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Bij afzonderlijke brieven van 14 augustus 2008 hebben het college en [appellanten sub 2] hun hoger beroep aangevuld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door E.L.A. Kramer, ambtenaar in dienst van de gemeente, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Roermond, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. Y.A. Breunesse, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Gemert-Bakel 1998" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok".

Ingevolge artikel 8A, aanhef en eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor "Agrarisch bouwblok" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge artikel 8B, vijfde lid, onder a, is per bouwblok slechts één agrarische bedrijfswoning toegestaan, tenzij reeds twee woningen aanwezig zijn, in welk geval twee bedrijfswoningen zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 8C, aanhef en onder a, wordt onder het verboden gebruik van de bouwwerken, als bedoeld in artikel 4, in ieder geval begrepen het gebruik voor bewoning, behoudens de agrarische bedrijfswoning.

Ingevolge artikel 4, onder A, is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 30B, eerste lid, mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en bouwwerken worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en bouwwerken worden voortgezet, met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan en niet krachtens de overgangsbepaling van dat plan was toegestaan.

Ingevolge het tweede lid is het verboden, indien het onder het eerste lid bedoelde gebruik gedurende een ononderbroken tijdvlak van drie jaar gestaakt is geweest, dit gebruik te hervatten.

Ingevolge het derde lid is het verboden om met het plan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken te wijzigen, tenzij door die wijziging de bestaande afwijking van het plan naar de aard en/of intensiteit niet wordt vergroot.

2.2. Het gebruik van het achterste gedeelte van de boerderij voor bewoning is in strijd met artikel 8 van het bestemmingsplan. Niet in geschil is dat dit gebruik eveneens in strijd is met het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied".

Ingevolge artikel 53B/C, onder I, onderdeel 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover thans van belang, mag het gebruik van opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd.

Het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft op 22 januari 1988 (hierna: de peildatum) rechtskracht verkregen.

2.3. Het college en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op grond van de door [wederpartijen] overgelegde verklaringen niet uitgesloten is dat het achterste gedeelte van de boerderij op de peildatum alle voorzieningen voor een zelfstandig gebruik als woning had en op de peildatum reeds als zelfstandige woning werd gebruikt. Volgens het college en [appellanten sub 2] heeft de rechtbank niet onderkend dat uit de door hen overgelegde verklaringen volgt dat van zelfstandige bewoning van het achterste gedeelte van de boerderij op de peildatum geen sprake was.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 februari 2006 in zaak nr. 200503095/1) rust de bewijslast dat overgangsrecht van toepassing is op degene die zich daarop beroept.

Anders dan het college betoogt, staat de omstandigheid dat het niet op de hoogte was van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik niet aan een beroep op het overgangsrecht in de weg.

Blijkens ter zitting gedane en door [wederpartijen] overgelegde verklaringen, is in 1978 in het achterste gedeelte van de boerderij een douche en toilet aangebracht. Op enig moment voor de peildatum is in het achterste gedeelte van de boerderij een keukenblok geplaatst en is dit gedeelte regelmatig gebruikt als gastenverblijf voor familie en vrienden van [wederpartijen]. In 1986 is de zoon van [wederpartijen] in het achterste gedeelte van de boerderij gaan wonen. [wederpartijen] hebben echter niet voldoende aannemelijk gemaakt dat op de peildatum sprake was van zelfstandige bewoning van het achterste gedeelte van de boerderij. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit gedeelte zowel op de begane grond als op de eerste verdieping door middel van een deur in verbinding stond met het voorste gedeelte van de boerderij. Daarnaast beschikte het achterste gedeelte van de boerderij niet over een eigen gas-, water- en lichtmeter. De door [wederpartijen] overgelegde verklaringen bieden geen grond voor het oordeel dat hun zoon op de peildatum zelfstandig in het achterste gedeelte van de boerderij woonde. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de overige in beroep door [wederpartijen] ingediende beroepsgronden. De Afdeling zal deze gronden daarom alsnog beoordelen.

2.5. [wederpartijen] hebben in beroep betoogd dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom, voor zover deze betrekking heeft op het verwijderen en verwijderd houden van de douche, het toilet en de keuken in het achterste gedeelte van de boerderij.

2.5.1. Voor de in 1978 in het achterste gedeelte van de boerderij geplaatste douche en toilet heeft het college bij besluit van 29 augustus 1978 bouwvergunning verleend. Het college was dan ook niet bevoegd om handhavend op te treden tegen de douche en het toilet.

Niet in geschil is dat voor het nadien geplaatste keukenblok in het achterste gedeelte van de boerderij geen bouwvergunning is verleend. Anders dan [wederpartijen] in beroep hebben betoogd, bestaat geen grond voor het oordeel dat voor het plaatsen van het keukenblok geen bouwvergunning is vereist, nu door het plaatsen daarvan het achterste gedeelte van de boerderij geschikt wordt gemaakt voor bewoning.

Reeds omdat met het plaatsen van het keukenblok is beoogd het gebruik van het achterste gedeelte van de boerderij te wijzigen, kan het plaatsen daarvan niet worden aangemerkt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder c, van de Woningwet, gelezen in verband met artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, met welk oordeel wordt aangesloten bij vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 11 februari 2009 in zaak nr. 200802850/1), zodat daarvoor een bouwvergunning is vereist.

2.6. Nu vaststaat dat voor het plaatsen van het keukenblok niet de daarvoor vereiste bouwvergunning is verleend, hebben [wederpartijen] gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.7. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8. Nu het achterste gedeelte van de boerderij een agrarische bestemming heeft en het college te kennen heeft gegeven niet mee te willen werken aan een vrijstelling voor het gebruik van dit gedeelte als woning, is, anders dan [wederpartijen] in beroep hebben betoogd, van concreet zicht op legalisering geen sprake.

2.9. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van het college van 3 april 2007 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, voor zover daarbij is gelast om de douche en het toilet in het achterste gedeelte van de boerderij op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.11. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door [appellanten sub 2] betaalde griffierecht door het college moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellanten sub 2] wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 mei 2008 in zaak nr. 07/1751;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel van 3 april 2007, kenmerk RO-CH/AK/HV06 in zoverre daarbij is gelast om de douche en het toilet in het achterste gedeelte van de boerderij op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel aan [wederpartijen] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

VII. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 216,00 (zegge: tweehonderdzestien euro) terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009

179-531.