Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
200903570/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Betuwemeer Tiel B.V. (hierna: Betuwemeer) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een sier- en watervogelkwekerij aan de Laageinde 13 te Kapel-Avezaath. Dit besluit is op 27 april 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903570/2/M2.

Datum uitspraak: 7 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tiel (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Betuwemeer Tiel B.V. (hierna: Betuwemeer) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een sier- en watervogelkwekerij aan de Laageinde 13 te Kapel-Avezaath. Dit besluit is op 27 april 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 juni 2009, beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2009, waar [een der verzoekers], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Stoelwinder en O.H.P. Winkler-Bouwmans, beiden werkzaam bij de gemeente, en R.J. van der Sluiszen, werkzaam bij de Milieudienst zuid-oost Utrecht, zijn verschenen. Voorts is Betuwemeer, vertegenwoordigd door L.H. Klein Nibbelink, bijgestaan door mr. J. Molenaar, advocaat te Arnhem, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting hebben [verzoekers] aangegeven dat hun pleitnota de kern weergeeft van de gronden die zij aanvoeren tegen het besluit van 21 april 2009. Zij hebben onder meer aangevoerd dat ten gevolge van de incidentele bedrijfssituaties bestaande uit de aanvoer van voer, het vullen van de dieselolietank en het uitvoeren van onderhoud aan de houtwallen de in voorschrift 2.1 van de vergunning van 21 april 2009 vastgestelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode op enkele gevels van woningen wordt overschreden. Volgens hen blijkt uit het door Tauw B.V. opgestelde akoestische rapport van 15 mei 2008 dat de incidentele bedrijfssituaties op de zijgevel van de woning Laageinde 9, de voorgevel van de woning Laageinde 7 en de gevels van de woningen Lingedijk 22, 24, 26, 28 en 32 zullen leiden tot een overschrijding van de genoemde grenswaarde. Weliswaar zijn in voorschrift 2.3 van de vergunning van 21 april 2009 hogere grenswaarden vastgesteld ten behoeve van de incidentele bedrijfssituaties voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maar deze hogere grenswaarden zijn volgens [verzoekers] niet van toepassing op de door hen genoemde gevels. Daarnaast wordt volgens [verzoekers] de in voorschrift 2.2 van de vergunning van 21 april 2009 vastgestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau op de gevel van de woning Laageinde 9 overschreden door het gebruik van de touringcar. Nu ten gevolge van de vergunde incidentele bedrijfssituaties en het gebruik van de touringcar niet kan worden voldaan aan de in voorschrift 2.1 vastgestelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode en de in voorschrift 2.2 vastgestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode is volgens [verzoekers] sprake van een verkapte weigering van de vergunning.

2.2.1. In voorschrift 2.1 van de vergunning van 21 april 2009, voor zover hier van belang, is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevels van de woningen van derden in de dagperiode niet meer dan 45 dB(A) mag bedragen.

In voorschrift 2.2 is bepaald dat het maximale geluidniveau op de gevels van woningen van derden in de dagperiode niet meer mag bedragen dan 70 dB(A).

In voorschrift 2.3, voor zover hier van belang, is bepaald dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode tijdens de aanvoer van voer een norm geldt van 54 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 9 (voorzijde) en van 48 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 15 (voorzijde). Daarnaast is bepaald dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode tijdens het vullen van de dieselolietank een norm geldt van 46 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 9 (voorzijde) en van 41 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 15 (voorzijde). Voorts is in dit voorschrift bepaald dat voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode gedurende het onderhoud aan de houtwallen een norm van geldt van 54 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 9 (voorzijde), van 48 dB(A) ter plaatse van de woning Laageinde 15 (voorzijde) en van 57 dB(A) ter plaatse van de woning Lingedijk 30.

2.2.2. De incidentele bedrijfssituaties bestaande uit de aanvoer van voer, het vullen van de dieselolietank en het onderhoud aan de houtwallen maken onderdeel uit van de beoogde bedrijfsvoering, net als het gebruik van de touringcar.

Uit het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende akoestische rapport van 15 mei 2008 blijkt dat ten gevolge van de incidentele bedrijfssituaties de in voorschrift 2.1 vastgestelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode op de door [verzoekers] genoemde gevels wordt overschreden. De in voorschrift 2.3 vastgestelde hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de incidentele bedrijfssituaties zijn niet van toepassing op Laageinde 9 (zijgevel) en Laageinde 7 (voorzijde). Uit het akoestische rapport blijkt verder dat als gevolg van de incidentele bedrijfssituaties op andere gevels ook hogere geluidbelastingen dan de in voorschrift 2.1 vergunde ontstaan, zonder dat hiervoor in voorschrift 2.3 een hogere waarde is vergund. De voorzitter kan niet beoordelen of met de in voorschrift 2.3 wel vergunde waarden deze geluidbelastingen feitelijk zijn vergund. Uit het akoestische rapport van 15 mei 2008 blijkt daarnaast dat ten gevolge van het gebruik van de touringcar de in voorschrift 2.2 vastgestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau op de door [verzoekers] genoemde gevel wordt overschreden.

De beoogde bedrijfsvoering is gelet hierop in zoverre feitelijk onmogelijk zonder dat de in de voorschrift 2.1 vastgestelde grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode en de in voorschrift 2.2 vastgestelde grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode worden overschreden. De voorzitter overweegt dat de activiteiten bestaande uit de aanvoer van voer, het vullen van de dieselolietank en het onderhoud aan de houtwallen, evenals het bezoek van de touringcar, essentieel zijn voor de beoogde werking van de inrichting. Uit het vorenstaande volgt dat de vergunning impliciet is geweigerd, hetgeen zich niet verdraagt met het stelsel van de Wet milieubeheer.

2.3. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Het college dient ten aanzien van [verzoekers] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tiel van 21 april 2009, kenmerk 62854;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tiel tot vergoeding van bij [verzoekers] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 488,37 (zegge: vierhonderdachtentachtig euro en zevenendertig cent), waarvan € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door het college van burgemeester en wethouders van Tiel aan [verzoekers] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tiel aan [verzoekers] het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009

325-578.