Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ2188

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
200904366/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / heropening onderzoek / eerst na 33 dagen op beroep beslist / artikel 5, vierde lid, van het EVRM / geen spoedige beslissing

Door de staatssecretaris op 28 mei 2009 opnieuw een termijn te gunnen voor het overleggen van een aanvullend proces-verbaal, nadat zij hem daartoe reeds op 19 mei 2009 tot 27 mei 2009 de gelegenheid had gegeven, heeft de rechtbank niet onderkend dat zij, in het licht van het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, het onderzoek na heropening daarvan zo spoedig mogelijk diende te voltooien. Gelet op het belang van de vreemdeling bij een spoedige beslissing en in aanmerking genomen dat de door de staatssecretaris gestelde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als klemmende omstandigheden die tot het door hem verzochte uitstel noopten, had de rechtbank de gevolgen van de omstandigheid dat de staatssecretaris in gebreke bleef om haar adequaat te informeren voor zijn risico moeten laten. Nu zij dat niet heeft gedaan en eerst na 33 dagen op het beroep van de vreemdeling heeft beslist, is geen sprake meer van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. De maatregel van bewaring is met ingang van 28 mei 2009 onrechtmatig.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/334
Ars Aequi RV20090073 met annotatie van V.V. Essenburg

Uitspraak

200904366/1/V3.

Datum uitspraak: 7 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 10 juni 2009 in zaak nr. 09/16716 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de eerste en tweede grief, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank de staatssecretaris ten onrechte een termijn heeft gegund om de onzorgvuldigheden in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 7 mei 2009 te herstellen en dat zij ten onrechte heeft overwogen dat de aanvankelijk onzorgvuldige verslaglegging niet zodanig is dat die moet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring.

Daartoe betoogt de vreemdeling onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te handelen en te overwegen, niet heeft onderkend dat zijn belang bij een spoedige beoordeling van de rechtmatigheid van zijn detentie zwaarder diende te wegen dan het belang van de staatssecretaris bij uitstel voor het beantwoorden van door de rechtbank gestelde vragen. Het belang van de staatssecretaris bestond immers slechts in het volgen van een cursus door de betrokken verbalisanten. Nu de rechtbank eerst na 33 dagen op zijn beroep tegen de inbewaringstelling heeft beslist, is in het licht van de omstandigheden van het geval geen sprake meer van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), aldus de vreemdeling.

2.1.1. Ingevolge artikel 5, vierde lid, van het EVRM heeft een ieder wie door arrestatie of detentie zijn vrijheid is ontnomen, het recht voorziening te vragen bij het gerecht, opdat dit spoedig beslist over de rechtmatigheid van zijn detentie en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de detentie onrechtmatig is.

Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank het onderzoek heropenen, indien zij van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is geweest.

2.1.2. De vreemdeling is op 7 mei 2009 in bewaring gesteld en heeft op 8 mei 2009 beroep tegen deze maatregel ingesteld. Op 15 mei 2009, drie dagen vóór de zitting, heeft de rechtbank de staatssecretaris om nadere informatie gevraagd over de processen-verbaal van verhoor en van staandehouding, overbrenging en ophouding, die op onderscheidenlijk 6 mei 2009 en 7 mei 2009 door de Koninklijke Marechaussee zijn opgemaakt.

Op 18 mei 2009 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten. Op 19 mei 2009 heeft zij geoordeeld dat het onderzoek ter zitting niet volledig was geweest en besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van diezelfde datum heeft de rechtbank de staatssecretaris tot 27 mei 2009 de gelegenheid gegeven om aan de hand van de door haar gestelde vragen een aanvullend proces-verbaal op te stellen over de gang van zaken bij de strafrechtelijke heenzending en de daarop volgende ophouding van de vreemdeling. Zij heeft daarbij te kennen gegeven het onderzoek ter zitting op 2 juni 2009 te zullen hervatten.

Bij brief van 27 mei 2009 heeft de staatssecretaris, samengevat weergegeven, te kennen gegeven niet aan het verzoek van de rechtbank te kunnen voldoen, omdat de betrokken verbalisanten die hele week een speciale cursus volgden en de verantwoordelijke officier had besloten dat zij niet van de cursus konden worden gehaald om aanvullende processen-verbaal op te stellen. Tevens heeft de staatssecretaris de rechtbank daarbij om uitstel verzocht tot 3 juni 2009.

Bij brieven van 28 mei 2009 heeft de rechtbank het gevraagde uitstel verleend en partijen meegedeeld dat op 4 juni 2009 opnieuw een zitting zou plaatsvinden. Bij brief van 3 juni 2009 heeft de staatssecretaris een aanvullend proces-verbaal overgelegd. Op 10 juni 2009 heeft de rechtbank uitspraak gedaan.

2.1.3. De vraag of sprake is van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM dient te worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval (uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 oktober 1986 in de zaak Sanchez-Reisse tegen Zwitserland; NJ 1988, 555).

De toepasselijkheid van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb is in de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) niet uitgesloten. Dat de rechtbank van haar bevoegdheid tot heropening van het onderzoek gebruik heeft gemaakt, betekent niet dat zij reeds daarom niet zo spoedig mogelijk op het beroep heeft beslist.

Aan de heropening van het onderzoek ligt ten grondslag dat het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 7 mei 2009, naar in hoger beroep niet is bestreden, onjuistheden en onzorgvuldigheden bevat. Door de staatssecretaris op 28 mei 2009 opnieuw een termijn te gunnen voor het overleggen van een aanvullend proces-verbaal, nadat zij hem daartoe reeds op 19 mei 2009 tot 27 mei 2009 de gelegenheid had gegeven, heeft de rechtbank niet onderkend dat zij, in het licht van het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, het onderzoek na heropening daarvan zo spoedig mogelijk diende te voltooien. Gelet op het belang van de vreemdeling bij een spoedige beslissing en in aanmerking genomen dat de door de staatssecretaris gestelde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als klemmende omstandigheden die tot het door hem verzochte uitstel noopten, had de rechtbank de gevolgen van de omstandigheid dat de staatssecretaris in gebreke bleef om haar adequaat te informeren voor zijn risico moeten laten. Nu zij dat niet heeft gedaan en eerst na 33 dagen op het beroep van de vreemdeling heeft beslist, is geen sprake meer van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM. De maatregel van bewaring is met ingang van 28 mei 2009 onrechtmatig.

De grieven slagen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de grieven is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 mei 2009 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 28 mei 2009 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 10 juni 2009 in zaak nr. 09/16716;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan de vreemdeling te betalen een vergoeding van € 3200,00 (zegge: drieduizend tweehonderd euro);

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Laar, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Laar

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009

551.

Verzonden: 7 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak