Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200806768/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen/vernieuwen en vergroten van een woning met rouwcentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200806768/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te Zeist,

3. [vergunninghouder], gevestigd te [plaats], gemeente De Bilt,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2008 in zaken

nrs. 07/2162, 07/2180 en 07/2243 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zeist (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk veranderen/vernieuwen en vergroten van een woning met rouwcentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het college de door onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren deels gegrond verklaard, het besluit van 24 augustus 2006 herroepen en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend.

Bij uitspraak van 24 juli 2008, verzonden op 25 juli 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2008, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2008, en [vergunninghouder] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2008, hoger beroep ingestel[appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 26 september 2008, [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 28 september 2008 en [vergunninghouder] heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 3 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], en [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door N.K.J. Wiggers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het verbouwen van een bestaande woning tot rouwcentrum met een bovenwoning.

2.2. [vergunninghouder] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college [appellant sub 1] ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt bij het besluit van 24 augustus 2006. De rechtbank heeft terecht gewicht toegekend aan het feit dat [appellant sub 1] in de directe nabijheid van het bouwplan woonachtig is en in de door hem gestelde gevolgen van het te realiseren bouwplan, waaronder de mogelijke verslechtering van de parkeer- en verkeerssituatie ter plaatse, voldoende aanleiding gevonden voor de conclusie dat [appellant sub 1] voldoet aan de vereisten van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan 1937" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel, de bestemming "open bebouwing" met de nadere aanduidingen 500-II-10.

Ingevolge artikel 1c, eerste lid, van de planvoorschriften mogen op de voor "open bebouwing' en "gesloten bebouwing" bestemde gronden zonder meer worden gebouwd:

a. woningen;

b. gebouwen voor openbare, sociale, culturele doeleinden zoals kerken, scholen, leeszalen, verenigingsgebouwen, gebouwen voor de gezondheidsdienst en daarmee gelijk te stellen gebouwen.

Ingevolge artikel 1c, tweede lid, mogen op de in het eerste lid genoemde gronden geen woningen boven elkander worden gebouwd.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover van belang, betekent het eerste getal van de in het uitbreidingsplan aangegeven bebouwingsformule voor de getallen hoger dan 275 de minimum woninginhoud.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover van belang, betekent het derde getal van de in het uitbreidingsplan aangegeven bebouwingsformule de minimum diepte van de onbebouwde ruimte op eigen erf tot de aangrenzende terreinen aan weerszijden van elk gebouw in meters.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college het gebruik van een deel van het te verbouwen bouwwerk als rouwcentrum passend heeft kunnen achten binnen de ter plaatse geldende bestemming "open bebouwing". Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van een rouwcentrum op het perceel, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.1. Ingevolge artikel 1c, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, mogen op de voor "open bebouwing" bestemde gronden zonder meer worden gebouwd gebouwen voor sociale doeleinden. Het te realiseren rouwcentrum heeft tot doel de gelegenheid te bieden afscheid te nemen van de overledene en deze de laatste eer te bewijzen. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde omstandigheid dat [vergunninghouder] een winstoogmerk heeft en derhalve een commerciële onderneming exploiteert, doet aan de sociaal-maatschappelijke functie ervan niet af en mist dan ook planologische relevantie. Nu artikel 1c, eerste lid, van de planvoorschriften de bedrijfsmatige exploitatie ten behoeve van sociale doeleinden niet uitsluit, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het gebruik van een deel van het te verbouwen bouwwerk als rouwcentrum in overeenstemming is met de op het perceel rustende bestemming.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan ook in strijd is met artikel 1c, tweede lid, van de planvoorschriften, omdat de realisering van een bovenwoning is voorzien.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens. Ingevolge artikel 1c, tweede lid, mogen geen woningen boven elkaar worden gebouwd. Daarvan is in dit geval geen sprake, nu het bouwplan voorziet in de realisering van een woning boven een rouwcentrum. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het bouwplan niet in strijd is met voornoemd artikel.

2.6. Voorts faalt het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet voldoet aan het vereiste van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Ingevolge dit artikel dient de woninginhoud op het perceel minimaal 500 m³ te zijn. Weliswaar wordt in voormeld artikel driemaal het woord woninginhoud gebezigd, dit betekent niet dat voor het bepalen van de totale inhoud als bedoeld in dat artikel het gedeelte van het bouwwerk dat gebruikt gaat worden ten behoeve van het rouwcentrum niet meegenomen mag worden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften eveneens het woord hoekgebouw gebezigd wordt. Voorts heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat de eis van 500 m³ in het bestemmingsplan is opgenomen om te bewerkstelligen dat op percelen, waarvoor deze eis geldt, bouwwerken met voldoende massa worden gerealiseerd, zonder dat dit betekent dat de gehele inhoud daarvan een woning dient te zijn.

2.7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen evenmin worden gevolgd in hun betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 15 van de planvoorschriften. Weliswaar biedt dit artikel slechts de mogelijkheid om in een limitatief aantal genoemde gevallen vrijstelling te verlenen, daarmee miskennen zij echter dat het college niet met toepassing van dit artikel, maar met artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling heeft verleend voor het bouwplan, voor zover dit afwijkt van het bestemmingsplan.

2.8. Vast staat dat het bouwplan wat de onbebouwde ruimte tussen het bouwwerk en de aangrenzende percelen betreft in strijd is met het bestemmingsplan. Voorts is het bouwplan gelegen buiten het in het bestemmingsplan opgenomen bouwvlak. Om realisering van het bouwplan toch mogelijk te maken heeft het college hiervoor krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) vrijstelling verleend.

2.9. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van het Bro, voor zover thans van belang, komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van een ander gebouw in de bebouwde kom, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50 procent bebouwd is.

2.10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was de vrijstelling te verlenen, omdat geen sprake is van een uitbreiding van een ander gebouw als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van het Bro. Voorts zal volgens hen het aansluitende terrein voor meer dan 50 procent worden bebouwd.

2.10.1. Met het bouwplan wordt beoogd de op het perceel aanwezige woning te verbouwen tot rouwcentrum met een bovenwoning. Nu het gebouw grotendeels gebruikt gaat worden ten behoeve van het rouwcentrum, is het oordeel van de rechtbank terecht dat het bouwplan een uitbreiding van een ander gebouw, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van het Bro, betreft.

2.10.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 december 2003 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://5819">200302296/1</a>) dient onder het aansluitende terrein te worden verstaan het terrein dat volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Aan de hand van de ter zitting getoonde plankaart is gebleken dat op het perceel voor bebouwing in aanmerking komen de gronden binnen de op die kaart opgenomen rooilijnen waarbij ingevolge de op het perceel van toepassing zijnde bebouwingsformule 500-II-10, blijkens artikel 12, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, voorts tot de aangrenzende terreinen aan weerszijden van elk gebouw een afstand van tien meter aangehouden dient te worden, zodat het aansluitende terrein een oppervlakte heeft van ongeveer 560 m². Gelet op het feit dat het bouwplan een oppervlakte heeft van 340 m², wordt het aansluitende terrein met meer dan 50 procent bebouwd. Derhalve was het college niet bevoegd om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.11. Gelet op het bovenstaande behoeft het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO heeft kunnen verlenen voor het bouwplan, geen bespreking.

2.12. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Hiertoe voeren zij aan dat de welstandscommissie ten onrechte het bouwplan niet heeft getoetst aan de aanvullende welstandscriteria uit de Welstandsnota gemeente Zeist van 17 mei 2004 (hierna: de welstandsnota), die gelden voor bebouwing aan de Oranje Nassaulaan.

[vergunninghouder] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan uitsluitend dient te worden getoetst aan de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota die gelden voor bebouwing aan de Hoog Kanje.

2.12.1. Het bouwplan voorziet in een hoekgebouw dat zowel is gelegen aan de Hoog Kanje als aan de Oranje Nassaulaan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat een bouwplan dat op de hoek van twee straten is voorzien dient te worden getoetst aan de welstandscriteria die gelden voor beide straten. De rechtbank heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat bij de toetsing van een bouwplan aan de welstandsnota beoordeeld wordt of dit zowel op zichzelf als in verband met de omgeving in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Derhalve faalt het betoog van [vergunninghouder].

2.12.2. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] faalt eveneens. Het college heeft het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand gebaseerd op het positieve welstandsadvies van de commissie Welstand en Monumenten Midden Nederland (hierna: de welstandscommissie) van 8 mei 2007, aangevuld bij advies van 27 februari 2008.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben een deskundig tegenadvies overgelegd van stichting Dorp, Stad en Land van 2 november 2007, aangevuld bij advies van 24 april 2008. Hierin heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden om tot het oordeel te komen dat het college de positieve welstandsadviezen van de welstandscommissie niet aan zijn besluit van 5 juli 2007 ten grondslag heeft mogen leggen. Anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorstaan, heeft de welstandscommissie niet verzuimd het bouwplan eveneens te toetsen aan de aanvullende welstandscriteria die gelden voor bebouwing aan de Oranje Nassaulaan. In het welstandsadvies van 8 mei 2007 overweegt de welstandscommissie immers dat ook bij een intensieve welstandstoetsing, waarmee bedoeld wordt een toetsing aan de aanvullende welstandscriteria, het bouwplan, gezien de zorgvuldige uitwerking van het toegestane programma, de toetst der kritiek zou kunnen doorstaan. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verder hebben aangevoerd kan evenmin leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand.

2.13. Het hoger beroep van [vergunninghouder] is ongegrond. De hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond zijn verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 5 juli 2007 gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.14. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 juli 2008 in zaken nrs. 07/2162, 07/2180 en 07/2243, voor zover daarbij de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond zijn verklaard;

III. verklaart de bij de rechtbank door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde beroepen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 5 juli 2007, kenmerk 07uit04650;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zeist aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zeist aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

190-552.