Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200809163/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) de aanvraag van [appellant], voor een standplaatsvergunning voor drie dagen in 2007, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 259

Uitspraak

200809163/1/H3.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 november 2008 in zaak nr. 08/2375 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) de aanvraag van [appellant], voor een standplaatsvergunning voor drie dagen in 2007, afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en [appellant] voor drie nader te bepalen data in 2008 een standplaatsvergunning verleend.

Bij uitspraak van 4 november 2008, verzonden op 10 november 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover dit was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een door hem bij brief van 30 november 2007 bij het college ingediend verzoek om schadevergoeding, niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het beroepschrift van [appellant] was gericht tegen dit niet tijdig besluiten op zijn verzoek om schadevergoeding, is dit door de rechtbank ter behandeling als bezwaarschrift naar het college teruggestuurd. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door R. de Vries, ambtenaar in dienst van de gemeente Haarlem, zijn verschenen.

Met instemming van het college heeft [appellant] ter zitting nadere stukken overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant], voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om schadevergoeding, ter behandeling als bezwaarschrift naar het college teruggestuurd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek om schadevergoeding eerst in de bezwaarfase is ingediend, zodat het niet tijdig besluiten hierop moet worden aangemerkt als het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een primair besluit. Daartegen staat geen beroep maar bezwaar open, aldus de rechtbank.

2.1.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling dat het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het besluit op bezwaar op het door [appellant] als aanvulling op zijn bezwaarschrift bij brief van 30 november 2007 ingediende verzoek om schadevergoeding heeft beslist. Het college heeft [appellant] immers, ter compensatie van de gestelde schade als gevolg van het ten onrechte niet verlenen van de gevraagde standplaatsvergunning voor drie dagen in 2007, een standplaatsvergunning voor drie dagen op nader te bepalen data in 2008 verleend. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college ter zitting heeft toegelicht dat het in een geval als dit, gebruikelijk is om geen financiële tegemoetkoming te verlenen maar een vergoeding in natura toe te kennen.

Om redenen van verwevenheid en proceseconomie dient de beslissing in een besluit op bezwaar op een hangende de bezwaarfase ingediend verzoek om schadevergoeding, als onderdeel van het besluit op bezwaar te worden aangemerkt. Hiertegen behoeft niet eerst bezwaar te worden aangetekend alvorens beroep kan worden ingesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 11 januari 2008 beoordelen.

2.3. In beroep heeft [appellant] betoogd dat hij als gevolg van het ten onrechte weigeren van de door hem gevraagde standplaatsvergunning, 5000,00 euro omzetderving en schade in de vorm van bijkomende kosten heeft geleden. Het in het besluit op bezwaar aanbieden van een standplaatsvergunning voor drie dagen in 2008, vormt volgens [appellant] onvoldoende compensatie van die schade.

2.3.1. In het besluit op bezwaar wordt [appellant] zonder nadere toelichting een standplaatsvergunning voor drie nader te bepalen data in 2008 verleend. In dit besluit noch het advies van de bezwaarschriftencommissie waarnaar ter motivering hiervan wordt verwezen, wordt inzichtelijk gemaakt waarom het college het verlenen van een standplaatsvergunning voor drie dagen in 2008, als voldoende compensatie voor de door [appellant] in bezwaar gestelde en toegelichte schade beschouwt. Het besluit op bezwaar berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering, hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. Het door [appellant] tegen het besluit van 11 januari 2008 ingestelde beroep is gegrond. De Afdeling zal dit besluit, voor zover hierin aan [appellant] voor drie dagen op nader te bepalen data in 2008 een standplaatsvergunning is verleend, vernietigen.

2.5. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, heeft het college bij besluit van 27 februari 2009 opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant], voor zover dit zijn verzoek om schadevergoeding betreft. Bij dit besluit heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het besluit van 27 februari 2009 dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, zal de Afdeling het besluit van 27 februari 2009 in de beoordeling betrekken.

2.6. Met de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank is de grondslag aan het besluit van 27 februari 2009 komen te ontvallen. Het hiertegen ingestelde beroep is gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.7. Het college dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 18 september 2007 te besluiten.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 november 2008 in zaak nr. 08/2375;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 11 januari 2008, kenmerk CS/bo/07/188716, voor zover hierbij aan [appellant] voor drie nader te bepalen data in 2008 een standplaatsvergunning is verleend;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 27 februari 2009 gegrond;

VI. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 27 februari 2009 met kenmerk CS/bo/08/190602;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 729,87 (zegge: zevenhonderdnegenentwintig euro en zevenentachtig cent); het dient door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. De Winter

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

546.