Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1902

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200808673/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) krachtens artikel 100a van de Wet geluidhinder - onder andere - een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de [locatie], vastgesteld voor 23 woningen aan deze weg. Dit besluit is op 14 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808673/1/M2.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Slochteren,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Slochteren,

en

het college van burgemeester en wethouders van Slochteren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Slochteren (hierna: het college) krachtens artikel 100a van de Wet geluidhinder - onder andere - een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de [locatie], vastgesteld voor 23 woningen aan deze weg. Dit besluit is op 14 augustus 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2008, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep van [appellanten sub 2] zijn aangevuld bij brief van 22 oktober 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2009, waar [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. E.M. van der Molen, en het college, vertegenwoordigd door dr. R.F. Noorman en J.J. Jullens, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit is in verband met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Meerstad-Midden' genomen.

2.2. [appellant sub 1] heeft zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft het college zijn reactie daarop gegeven. [appellant sub 1] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

2.3. [appellanten sub 2] voeren aan dat het college het bestreden besluit niet had mogen nemen, omdat het bestreden besluit prematuur is nu de te nemen maatregelen en de inrichting van de deelgebieden nog niet vaststaat.

2.3.1. Ingevolge artikel 99, eerste lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, wordt tot reconstructie van een weg, indien binnen de aanwezige zone van die weg woningen aanwezig zijn, niet overgegaan dan in overeenstemming met een bestemmingsplan dat in de reconstructie voorziet.

Ingevolge artikel 99, derde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, worden bij het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid de waarden die ingevolge artikel 100a als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt, in acht genomen.

2.3.2. Uit het systeem van de Wet geluidhinder, zoals dat is neergelegd in artikel 99, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 99, derde lid, volgt dat in het geval van een reconstructie - zoals hier aan de orde - de ten hoogste toelaatbare waarden als bedoeld in artikel 100a van de Wet geluidhinder uiterlijk gelijktijdig met het bestemmingsplan dat voorziet in de reconstructie dient te worden vastgesteld. In de huidige zaak heeft het college het bestreden besluit tezamen met de goedkeuring van het bestemmingsplan 'Meerstad-Midden' ter inzage gelegd. Nu het besluit omtrent de hogere waarden vereist was om het bestemmingsplan vast te stellen is het, anders dan [appellanten sub 2] betogen, niet prematuur. De beroepsgrond faalt.

2.4. [appellanten sub 2] voeren vervolgens aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Volgens hen zijn niet alle mogelijke maatregelen onderzocht. Zo heeft het college volgens hen niet onderzocht of iets kan worden gedaan aan het beperken van het gemotoriseerde verkeer, het sturen en omleiden van het verkeer, het verminderen van vrachtverkeer of de optimale ligging van de [locatie], temeer nu het college een landelijk karakter van de [locatie] wil bevorderen. Daarnaast vrezen zij dat de voorgenomen maatregelen in de vorm van stil asfalt en een begrenzing van de maximum snelheid naar 50 kilometer per uur niet voldoende effect zullen hebben.

2.4.1. In artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder is bepaald dat burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd zijn tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

In artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder is bepaald dat het eerste lid slechts toepassing vindt indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.4.2. In het bestreden besluit heeft het college zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de [locatie] tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat regulering van het vrachtverkeer niet zal leiden tot een lagere geluidbelasting, reeds omdat weinig tot geen vrachtverkeer op de [locatie] wordt verwacht. Voor het overige heeft het college in het bestreden besluit - onder andere - overwogen dat het beperken van het gemotoriseerde verkeersaanbod, alsmede de optimale ligging van de [locatie] om de geluidbelasting van de betrokken woningen aan deze weg te beperken, zijn onderzocht en als onvoldoende doeltreffend zijn aangemerkt. [appellanten sub 2] hebben geen argumenten aangevoerd waarom deze conclusies onjuist zouden zijn.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat het college voldoende heeft onderzocht of toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. De beroepsgrond faalt.

2.5. Ten slotte voeren [appellanten sub 2] aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd nu voor hun woning aan de [locatie] te [plaats] een hogere waarde is vastgesteld dan voor andere woningen. Gelet hierop creëert het bestreden besluit rechtsongelijkheid en heeft er geen evenwichtige belangenafweging plaatsgevonden, aldus [appellanten sub 2].

2.5.1. In het op 27 mei 2007 uitgebrachte rapport van het akoestisch onderzoek dat in opdracht van Bureau Meerstad is verricht, blijkt dat de gevels van de betrokken woningen aan de [locatie], vanwege een verschil in situering van de betrokken woningen ten opzichte van de [locatie], thans reeds een verschillende geluidbelasting ondervinden. Het verschil in de hoogte van de vastgestelde hogere waarden wordt dus veroorzaakt door het verschil in situering van de woningen en niet door een ongelijke behandeling of een onevenwichtige belangenafweging in het bestreden besluit. De beroepsgrond faalt.

2.6. De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

262-570.