Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200901399/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Segesta Exploitatie B.V. (hierna: Segesta) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 74 appartementen met parkeervoorziening op een perceel gelegen aan De Vliegerstraat/Jan de Heemstraat, plaatselijk bekend De Vliegerstraat ongenummerd, te Alkmaar (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901399/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Buurtoverleg De Hoef 'Geestmolen', [appellanten sub 2], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 12 januari 2009 in zaken nrs. 08/240 en 08/210 in het geding tussen:

1. de vereniging Buurtoverleg De Hoef 'Geestmolen',

2. [appellanten sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Segesta Exploitatie B.V. (hierna: Segesta) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van 74 appartementen met parkeervoorziening op een perceel gelegen aan De Vliegerstraat/Jan de Heemstraat, plaatselijk bekend De Vliegerstraat ongenummerd, te Alkmaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 december 2007 heeft het college de door de vereniging Buurtoverleg de Hoef 'Geestmolen', [appellanten sub 2] (hierna: het Buurtoverleg en anderen) daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, voor het bouwplan ontheffing verleend van de bouwverordening van de gemeente Alkmaar (hierna: de bouwverordening) en het besluit van 28 februari 2007 gehandhaafd onder toevoeging van een voorwaarde en aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 12 januari 2009, verzonden op 16 januari 2009, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) de door het Buurtoverleg en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het buurtoverleg en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 26 februari, 5 maart en 16 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Segesta heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het buurtoverleg en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gezamenlijk met zaak nr. 200901398/1, ter zitting behandeld op 16 juni 2009, waar het buurtoverleg en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Blom, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Segesta, vertegenwoordigd door mr. J.P.A.M. van Balen, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van twee gebouwen die samen 74 appartementen bevatten en bijbehorende parkeervoorziening. Het ene gebouw is L-vormig en heeft deels zes en deels vijf bouwlagen, terwijl het andere gebouw vier bouwlagen heeft. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "De Hoef II" (hierna: het bestemmingsplan). Het college heeft voor het bouwplan krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.2. Bij besluit op bezwaar van 5 december 2007 heeft het college tevens vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van het bestemmingsplan ten behoeve van het wijzigen van de dwarsprofielen van de Jan de Heemstraat en de Bloemaertlaan te Alkmaar, zodat aldaar 36 extra parkeerplaatsen ontstaan en aldus in totaal 114 parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn ten behoeve van het bouwplan. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het college de daartegen door het Buurtoverleg en anderen ingediende bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 januari 2009 in zaken nrs. 08/878 en 08/941 heeft de rechtbank de door het Buurtoverleg en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daartegen door het Buurtoverleg en anderen ingestelde hoger beroep is onderwerp van geschil in zaak nr. 200901398/1.

2.3. Het Buurtoverleg en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Zij voeren hiertoe aan dat deze ten onrechte is gebaseerd op de Nota van Uitgangspunten Plan Geestmolen (hierna: de Nota) die afwijkt van wat in overleg met hen was afgesproken, en dat zij tegen de Nota geen rechtsmiddelen hebben kunnen aanwenden, omdat deze niet op de juiste wijze is gepubliceerd. Voorts wijkt volgens hen de ruimtelijke onderbouwing af van hetgeen in de Nota is vermeld omtrent de molenbiotoop, het groenbeleidsplan en parkeren. Ten slotte wordt in de ruimtelijke onderbouwing miskend dat het bouwplan in strijd is met de Flora- en faunawet, aldus het Buurtoverleg en anderen.

2.3.1. Aan de verleende vrijstelling en de handhaving daarvan in bezwaar ligt de ruimtelijke onderbouwing "Locatie Jan de Heemstraat te Alkmaar" van 26 januari 2006 ten grondslag. In de ruimtelijke onderbouwing is, voor zover thans van belang, vermeld dat het bouwplan in overeenstemming is met gemeentelijk beleid, waaronder de Nota die van 1 juli tot 1 augustus 1999 ter inzage heeft gelegen. Bij besluit van 13 juli 2000 heeft de raad van de gemeente Alkmaar ingestemd met de na de ter inzagelegging gewijzigde Nota. Omdat abusievelijk toen geen publicatie van dat besluit heeft plaatsgevonden, is op 20 juni 2007 alsnog de vaststelling van de Nota bij besluit van 13 juli 2000 bekendgemaakt.

2.3.2. Voor zover het Buurtoverleg en anderen beogen te betogen dat zij schade hebben geleden, omdat het college de met hen gemaakte afspraak dat het bouwplan maximaal drie bouwlagen zal tellen - wat hiervan zij -heeft geschonden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit in een civielrechtelijke procedure aan de orde kan worden gesteld.

Voor zover het betoog zich richt tegen de Nota is hierin geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Nota deel kon uitmaken van de ruimtelijke onderbouwing, reeds omdat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met de publicatie van de Nota op 20 juni 2007 voldoende vaststaat dat de Nota ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 5 december 2007 als gemeentelijk beleidsstuk is aanvaard.

Voor zover het Buurtoverleg en anderen beogen te betogen dat in de ruimtelijke onderbouwing wordt miskend dat het bouwplan te hoog is in vergelijking met de omgeving, faalt het betoog, nu zij ter zitting hebben erkend dat in de directe omgeving twee gebouwen in drie en vier bouwlagen zijn gebouwd, op 150 m afstand zich een gebouw bevindt met negen bouwlagen en op 350 m een gebouw met twaalf bouwlagen.

2.3.3. Ten aanzien van de molenbiotoop heeft het college zich in het besluit op bezwaar van 5 december 2007 op het standpunt gesteld dat, zoals in de Nota is vermeld, het windrecht aan de gemeente is verkocht, maar dat het niettemin zaak is om in ruimtelijk opzicht met de windvang van de Geestmolen (hierna: de molen) rekening te houden. In dat besluit heeft het college voorts vermeld dat uit het Molenbeleidsplan van de Alkmaarse Molenvereniging valt af te leiden dat met name maatregelen nodig zijn binnen een straal van 100 m rond de molen. Het bouwplan is buiten deze straal van 100 m gelegen. Het college heeft er in het besluit voorts op gewezen dat die straal als relevante omgeving voor de molen kan worden beschouwd en dat, gelet op de ligging binnen stedelijk gebied met binnen de straal van 100 m reeds aanwezige hoogbouw, het geen nut heeft om een grotere omgeving als relevante molenbiotoop aan te merken.

In hetgeen het Buurtoverleg en anderen hebben aangevoerd kan gelet op het vorenoverwogene geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college niet afdoende zou hebben gemotiveerd dat het bouwplan met de biotoop van de molen voldoende rekening houdt.

2.3.4. In de Nota is ten aanzien van groen het volgende vermeld: "Het plan zal rekening moeten houden met de ecologische structuur, die naast de Frits Conijntunnel is gelegen en langs de spoorsloot loopt. De bebouwing zal op voldoende afstand moeten worden geplaatst om een verbindingszone van voldoende maat te behouden. In het gebied staan bomen die vanwege hun soort een hoge waarde vertegenwoordigen. Zij mogen niet worden gekapt en dienen op voldoende afstand van bebouwing te blijven."

Het college heeft in het besluit op bezwaar gemotiveerd en ter zitting aan de hand van kaarten toegelicht dat het bouwplan, op een kleine hoek na, niet in de ecologische structuur is gelegen en dat bij besluit van 22 augustus 2005 slechts een kapvergunning is verleend voor de kap van vier bomen die zich niet in de ecologische structuur bevinden.

In het door het Buurtoverleg en anderen aangevoerde heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het bouwplan ten onrechte in overeenstemming met het desbetreffende onderdeel van de Nota heeft geacht.

2.3.5. Voorts wordt in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar de door StAB gerechtelijke omgevingsdeskundigen (hierna: de StAB) uitgevoerde quick scan flora en fauna woningbouw aan de Jan de Heemstraat te Alkmaar van 22 november 2005 (hierna: de quick scan). In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat uit de quick scan blijkt dat het gebied mogelijk geschikt is als rust- en verblijfsgebied voor vleermuizen, maar dat deze tijdens dat verkennende onderzoek niet zijn geconstateerd. Voorts wordt in de quick scan aanbevolen dat een groenstrook wordt aangehouden en de aanwezige oudere bomen zoveel mogelijk worden ontzien.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, de ecologische structuur behouden blijft en ter zitting aan de hand van foto's is vastgesteld dat een aantal hoge bomen behouden is gebleven, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college ten onrechte het bouwplan in overeenstemming met de Flora- en faunawet heeft geacht.

2.3.6. Omtrent parkeren is in de Nota vermeld dat parkeergelegenheid geheel verdiept onder de flats zal worden aangelegd en dat openbare ruimte gereserveerd dient te blijven om, indien noodzakelijk, extra parkeergelegenheid te kunnen realiseren. Dat volgens de ruimtelijke onderbouwing de in het bouwplan voorziene parkeergelegenheid slechts gedeeltelijk inpandig is, maakt niet dat daardoor sprake is van strijd met de Nota. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Nota uitgangspunten weergeeft en dat afwijkingen van definitieve plannen ten opzichte van de Nota niet zonder meer betekenen dat deze strijdig zijn met de Nota. Dit te meer nu ook de Nota melding maakt van parkeergelegenheid in de openbare ruimte.

2.3.7. Hetgeen hiervoor onder 2.3.1 tot en met 2.3.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.4. Het Buurtoverleg en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid voor het bouwplan ontheffing kon verlenen van artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Alkmaar (hierna: de bouwverordening). Zij voeren hiertoe aan dat 47 van de voor het bouwplan benodigde parkeerplaatsen niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd en dat evenmin op andere wijze in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien, omdat voor het nabijgelegen muziekcentrum Tjarda en de fysiotherapiepraktijk POFA meer parkeerplaatsen nodig zijn, dan de 15 waarvan het college in het besluit op bezwaar van 5 december 2007 is uitgegaan.

2.4.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening moet, indien de omvang of bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeven van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

2.4.2. Niet in geschil is dat voor het bouwplan 111 parkeerplaatsen zijn vereist. Het bouwplan voorziet in 64 parkeerplaatsen op eigen terrein. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat met de herinrichting van de De Vliegerstraat, Jan de Heemstraat en de Bloemaertlaan de overige 47 parkeerplaatsen in de nabijheid van het bouwplan worden gerealiseerd, zodat ontheffing kan worden verleend van artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. Het heeft zich daarbij gebaseerd op een eigen onderzoek naar de benodigde parkeerruimte.

Het Buurtoverleg en anderen hebben de uitkomst van dat onderzoek betwist, omdat het college volgens hen van een te lage parkeerdruk in de omgeving van het bouwplan is uitgegaan. Daarom heeft de rechtbank de StAB een onderzoek laten uitvoeren naar de huidige parkeerdruk in de Bloemaertstraat en omgeving en tevens gevraagd of de parkeerbehoefte van het muziekcentrum en de fysiotherapiepraktijk op 15 dan wel 18 parkeerplaatsen moet worden gesteld.

In het advies van 2 oktober 2008 concludeert de StAB dat de openbare ruimte een geplande capaciteit heeft van 82 parkeerplaatsen en dat daarvan - na aftrek van de 47 voor het bouwplan benodigde plaatsen en de 7,5 voor vijf woningen aan de Bloemaertlaan - in totaal 27 plaatsen beschikbaar zullen zijn voor het muziekcentrum en de fysiotherapiepraktijk. De StAB concludeert voorts dat de vraag naar het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het muziekcentrum en de fysiotherapiepraktijk niet zo relevant is, maar dat gelet op de uitgevoerde parkeerdrukmeting 15 parkeerplaatsen voldoende zouden moeten zijn. In het nader advies van 16 oktober 2008 van de StAB worden de eerdere conclusies bevestigd. In het nadere advies van 15 december 2008 heeft de StAB vermeld dat bij het opstellen van de eerdere adviezen van een onjuiste maatvoering van een bij het bouwplan behorende kaart is uitgegaan, dat bij een juiste maatvoering van 72 parkeerplaatsen in de openbare ruimte dient te worden uitgegaan en dat derhalve 17 parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor het muziekcentrum en de fysiotherapiepraktijk. Voorts wordt geconcludeerd dat op basis van metingen van de StAB minimaal 18 parkeerplaatsen nodig zouden zijn, maar dat een iets hogere meting op een teldag niet betekent dat de berekende parkeerbehoefte onjuist is. De StAB wijst er in dit verband op dat in paragraaf 6.3.2 van de ASVV 2004 "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", opgesteld door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: het CROW), waarop de StAB zijn adviezen heeft gebaseerd, is vermeld dat de ASVV-parkeerkencijfers geen norm zijn waaraan moet worden voldaan, maar slechts op de praktijk gebaseerde cijfers, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een ontwerp al dan niet (redelijk) voldoet.

2.4.3. In het betoog van het Buurtoverleg en anderen is geen grond te vinden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen reden is om aan de parkeermetingen en de uitkomst van de adviezen van de StAB te twijfelen. Zij hebben hun betoog niet onderbouwd met een door een ter zake deskundige opgesteld rapport. Dat, zoals het Buurtoverleg en anderen betogen, uit door hen uitgevoerde metingen is gebleken dat het muziekcentrum soms wel 40 parkeerplaatsen nodig heeft - wat hiervan zij - leidt niet tot de conclusie dat de adviezen van de StAB ondeugdelijk zijn. In het advies van 15 december 2008 heeft de StAB vermeld dat een representatief onderzoek er juist niet op gericht is om de maximale piekbelasting in beeld te brengen, maar de metingen in het kader van de parkeeronderzoeken zijn verricht op een gemiddelde werkdag en een gemiddelde weekdag, overeenkomstig hetgeen is vermeld in bijlage V van het "Handboek verkeersonderzoek" van het CROW. Tevens is in het advies van 15 december 2008 vermeld dat de StAB zich in het onderzoek niet heeft gericht op de totale parkeerdruk van het muziekcentrum, omdat daarvoor ook parkeerplaatsen ten noorden van de Frits Conijntunnel bij het onderzoek moeten worden betrokken, die op grotere afstand van het bouwplan liggen buiten het onderzoeksgebied.

2.4.4. Anders dan het Buurtoverleg en anderen betogen, is evenmin aannemelijk dat het benodigde aantal parkeerplaatsen niet zal worden gerealiseerd, nu bij uitspraak van heden in zaak nr. 200901398/1 het besluit van 5 december 2007 tot herinrichting van Jan de Heemstraat en de Bloemaertlaan in rechte onaantastbaar is geworden en bij realisering daarvan zal zijn voorzien in 114 parkeerplaatsen ten behoeve van het bouwplan.

2.4.5. De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4.1 tot en met 2.4.4 is overwogen, terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat op andere wijze dan bepaald in artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening in de nodige parkeerbehoefte kan worden voorzien en terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid voor het bouwplan ontheffing als bedoeld in het vierde lid kon verlenen.

2.5. Het Buurtoverleg en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor dit bouwplan kon verlenen, omdat een alternatief bouwplan bestaat dat voorziet in 90 appartementen en een parkeerkelder, waardoor voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn.

2.5.1. Dit betoog slaagt niet. Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan het project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is in dit geval niet gebleken, reeds omdat tegen het door het Buurtoverleg en anderen bedoelde alternatief aanzienlijke bezwaren bestonden in verband met de voor realisering daarvan benodigde bemaling.

2.6. Ten slotte verzoeken het Buurtoverleg en anderen de Afdeling om terugbetaling van eenmaal griffierecht, omdat het besluit tot handhaving van de vrijstelling en bouwvergunning voor het appartementencomplex van 5 december 2007, dat onderwerp is van het onderhavige geschil, en het besluit tot handhaving van de herinrichting van de Jan de Heemstraat en de Bloemaertlaan van 12 februari 2008, dat onderwerp is van geschil in de gevoegd behandelde zaak met nr. 200901398/1, dermate nauw samenhangen dat naar hun mening feitelijk sprake is van één zaak.

2.6.1. Dit verzoek wordt niet gehonoreerd. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover thans van belang, eenmaal griffierecht verschuldigd, indien hoger beroep wordt ingesteld tegen een uitspraak van een rechtbank die betrekking heeft op meer dan één besluit. Die situatie doet zich in dit geval niet voor. De rechtbank heeft over elk van beide - en op zich los van elkaar staande - besluiten in een afzonderlijke uitspraak geoordeeld. Indien, zoals thans aan de orde, tegen beide uitspraken hoger beroep wordt ingesteld, dient op grond van genoemd artikel twee maal griffierecht te worden geheven.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

488.