Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200900381/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) het verzoek van de stichting "Stichting houdt het Vladerackenpark open en groen", [appellant A] en [appellant B] (hierna: de Stichting en anderen) om handhavend op te treden tegen werkzaamheden met betrekking tot een skatevoorziening en asfaltverharding in het Vladeraeckenpark te Rosmalen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900381/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting houdt het Vladerackenpark open en groen", [appellant A] en [appellant B], gevestigd, respectievelijk wonend te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenbosch,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 december 2008 in zaak nr. 08/2401 in het geding tussen:

de stichting "Stichting houdt het Vladerackenpark open en groen", [appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: het college) het verzoek van de stichting "Stichting houdt het Vladerackenpark open en groen", [appellant A] en [appellant B] (hierna: de Stichting en anderen) om handhavend op te treden tegen werkzaamheden met betrekking tot een skatevoorziening en asfaltverharding in het Vladeraeckenpark te Rosmalen afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het college het door de Stichting en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2008, verzonden op 5 december 2008, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door de Stichting en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 11 februari 2009.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juni 2009, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. I. de Leeuw, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van De Stichting en anderen het beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], ingetrokken.

2.2. De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de skatevoorziening, de asfaltverharding en de picknickvoorziening als één recreatieve voorziening moeten worden gezien, zodat sprake is van een geheel van voorzieningen waarvoor een bouwvergunning had moeten worden gevraagd. De Stichting en anderen betogen dat het geheel van skatebaan en picknickvoorziening groter is dan de in het bestemmingsplan toegestane maximale oppervlakte per bouwwerk van 10 m2. Verder is het gebruik van deze voorzieningen door jongeren niet aan te merken als recreatief gebruik, zoals bedoeld in het bestemmingsplan. Om deze redenen is handhavend optreden tegen de werkzaamheden aangewezen, aldus De Stichting en anderen.

2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door het college van burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

2.4. Het verzoek om handhavend optreden ziet op het zonder bouwvergunning aanleggen van een skatevoorziening en de bijbehorende asfaltverharding en niet tegen de bouw van de picknickplaats met overkapping. Deze picknickvoorziening moet echter in de visie van de Stichting en anderen tezamen met de skatevoorziening met bijbehorende asfaltverharding worden aangemerkt als één bouwvergunningplichtig bouwwerk.

2.5. De gronden waarop de voorzieningen zijn voorzien zijn in het bestemmingsplan "De Overlaet II" bestemd als "Groenvoorziening".

Ingevolge artikel 6.2 van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor onder meer de aanleg van groenvoorzieningen en de aanleg van bijbehorende verhardingen, bermen en recreatieve voorzieningen.

Ingevolge artikel 6.3.1, tweede lid, mag de oppervlakte van een gebouw of bouwwerk niet meer dan 10 m2 bedragen, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 250 m2 mag bedragen.

2.6. Met betrekking tot de vraag of de skatevoorziening met bijbehorende asfaltverharding samen met de picknickvoorziening moeten worden aangemerkt als één recreatieve voorziening, voor de aanleg waarvan een bouwvergunning noodzakelijk is, stelt de Afdeling vast dat de picknickset apart is aangevraagd en apart is vergund. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het mogelijk is dat skaters er gaan schuilen of er zonder noodzaak gaan verblijven, maar dat zij geen aanknopingspunten ziet voor de stelling dat de picknickset onverbrekelijk met de overige voorzieningen is verbonden. In dat verband heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat ook indien de picknickset feitelijk als een ontmoetingsplaats voor jongeren gaat functioneren, dat dan nog niet betekent dat de picknickset niet als zelfstandige recreatieve voorziening kan worden aangemerkt. Nu de picknickvoorziening, de skatevoorziening en de asfaltverharding evenmin in constructief opzicht met elkaar zijn verbonden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de voornoemde voorzieningen niet als één bouwwerk kunnen worden aangemerkt. Dat, zoals de Stichting en anderen naar voren hebben gebracht, genoemde voorzieningen alle zijn gesitueerd op een eiland in het park omgeven door een gracht met een toegangsbrug, het eiland volledig is geasfalteerd en uitsluitend wordt gebruikt door skaters en hangjongeren, leidt niet tot een ander oordeel.

Aan de door de Stichting en anderen genoemde uitspraken, waaruit volgens hen kan worden afgeleid dat het geheel als één recreatieve voorziening moet worden gezien, kan niet de conclusie worden verbonden die zij daaraan verbonden willen zien. Deze uitspraken hebben namelijk betrekking op de uitleg en toepassing van de categorieën, waaronder de categorie "recreatieve voorzieningen", die zijn opgenomen in het Besluit Milieu-effectrapportage en de daarbij behorende bijlagen, aan de hand waarvan dient te worden bepaald of sprake is van een zogenoemde (beoordelings)plichtige activiteit. Het motief van deze regelgeving is gelegen in de vraag of aanleiding bestaat om de mogelijke milieugevolgen van een bepaalde activiteit te onderzoeken, zodat deze op de juiste wijze in de beoordeling kunnen worden betrokken. Een en ander is niet op één lijn te stellen met de toepassing van de Woningwet en de vraag of sprake is van een vergunningplichtig bouwwerk.

2.7. Zoals ter zitting door de Stichting en anderen is bevestigd, is niet in geschil dat, indien wordt geoordeeld dat de skatevoorziening en de asfaltverharding als afzonderlijke voorzieningen moeten worden aangemerkt, voor deze voorzieningen geen bouwvergunning noodzakelijk is, zodat er voor het college in zoverre geen basis is voor handhavend optreden.

De Stichting en anderen betogen voorts tevergeefs dat het gebruik van de voorzieningen door skaters en, zoals zij dat noemen, hangjongeren, in strijd is met het bestemmingsplan. De doeleindenomschrijving van de bestemming "Groenvoorziening" staat recreatieve voorzieningen toe. De rechtbank heeft, bij gebrek aan een definitie in het bestemmingsplan, aansluiting gezocht bij het normale spraakgebruik, waarbij volgens Van Dale onder recreatie ontspanning in de vrije tijd wordt verstaan. De rechtbank heeft terecht aangenomen dat skaten hieronder kan worden begrepen. Dat de picknickvoorziening alleen wordt gebruikt door jongeren, zoals De Stichting en anderen stellen, betekent niet dat van een recreatieve functie geen sprake is.

2.8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college terecht heeft geweigerd handhavend op te treden tegen de aanleg en het gebruik van de skatevoorziening en de asfaltverharding omdat hem daartoe de bevoegdheid ontbreekt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

357.