Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1887

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200807487/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de gemeente Tilburg een vergunning verleend voor het kappen van vier esdoorns in de bestrating van de St. Josephstraat ter hoogte van de nummers 6 tot en met 10 in Tilburg (hierna: de bomen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/258

Uitspraak

200807487/1/H2.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 3 oktober 2008 in zaak nrs. 08/3762 en 08/3763 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de gemeente Tilburg een vergunning verleend voor het kappen van vier esdoorns in de bestrating van de St. Josephstraat ter hoogte van de nummers 6 tot en met 10 in Tilburg (hierna: de bomen).

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 9 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2009, waar [een der appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. M.A. de Boer, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en namens het college mr. M.H. Verhees, werkzaam bij de gemeente Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Bomenverordening Tilburg 2007 (hierna: de Verordening) is het verboden zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, kan het college de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van onder meer:

- boomkwaliteit;

- natuur- en milieuwaarden;

- monumentale waarden;

- landschappelijke/stedenbouwkundige waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- structuurwaarden van stads- en dorpsschoon.

2.2. Het college heeft aan het besluit van 13 maart 2008, zoals in bezwaar gehandhaafd, ten grondslag gelegd dat de bomen te groot worden voor de standplaats en wortelopslag veroorzaken die ernstige schade toebrengt aan riolering en bestrating. De wortelopslag is niet of nauwelijks te verwijderen zonder dat de vitaliteit en stabiliteit van de bomen worden aangetast. Voorts is aan de verlening van de kapvergunning ten grondslag gelegd dat de bomen moeten wijken voor de herinrichting van de straat alsmede dat zij een minder goede kwaliteit hebben.

2.3. [appellanten] betogen - samengevat weergegeven - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het standpunt van het college, dat de bomen een minder goede kwaliteit hebben, niet onredelijk is. Zij verwijzen naar het in hun opdracht opgestelde en in bezwaar overgelegde rapport van de Stichting Stadsbomen Tilburg van 21 maart 2008. Volgens hen volgt uit dit rapport dat de huidige boomkwaliteit goed is en de bomen nog jaren mee kunnen en heeft het college zijn standpunt dat het kappen van alle overlastgevende wortels de vitaliteit en stabiliteit van de bomen te veel zou aantasten waardoor niet meer gesproken zou kunnen worden van een goede vitaliteit van de bomen, niet met objectief bewijsmateriaal onderbouwd. Volgens [appellanten] kan ook al gelet op de leeftijd van de bomen - die zij op 60 jaar stellen - tot de conclusie worden gekomen dat de boomkwaliteit goed is. Zij betogen voorts dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven zijn om de bomen te behouden en de overlast van wortelopdruk en wortelingroei tegen te gaan, zoals bijvoorbeeld het verruimen van de boomspiegel of gronduitwisseling. [appellanten] voeren aan dat het college in andere straten waarin ook bomen in het trottoir staan die wortelopdruk veroorzaken niet overgaat tot kap. Zij betogen ten slotte dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden aangezien het belang van twee klagende omwonenden zwaarder heeft gewogen dan het belang van tientallen omwonenden die voor het behoud van de bomen zijn.

2.4. Artikel 5, eerste lid, van de Verordening geeft het college beleidsvrijheid bij het besluiten op een aanvraag om kapvergunning. Als bepaalde waarden zich voordoen kan het college de vergunning weigeren, maar daartoe bestaat geen verplichting. Daarbij zal het college een belangenafweging dienen te maken. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dient de rechter te toetsen of het college, de betrokken belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

2.4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van de Verordening wordt onder boomkwaliteit verstaan de potentie van een boom om in de toekomst uit te groeien tot een zeer waardevolle dan wel monumentale boom, onder andere gebaseerd op vitaliteit en standplaats. In het door [appellanten] aangehaalde rapport is niet ingegaan op de boomkwaliteit in deze zin en is volstaan met een beschrijving van de bestaande conditie en waarden van de bomen. Dit rapport biedt derhalve geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het standpunt van het college, dat de bomen een minder goede kwaliteit hebben, niet onredelijk is. Met de voorzieningenrechter wordt voorts geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar zijn standpunt over het kappen van de overlastgevende wortels voldoende heeft gemotiveerd. Er is in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding gelegen het standpunt van het college als onjuist te beschouwen. De enkele leeftijd van de bomen - door het college bepaald op 33 jaar en niet op 60 jaar - is voorts niet bepalend voor de boomkwaliteit, zodat die leeftijd thans in het midden kan worden gelaten.

Anders dan [appellanten] betogen, kan niet worden geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderzocht of er alternatieven zijn om de bomen te behouden en de overlast van wortelopdruk en wortelingroei tegen te gaan. Behalve de door hen aangedragen oplossing in de vorm van luchtroosters heeft het college, zoals het heeft toegelicht in het verweerschrift, ook andere alternatieven onderzocht, zoals het verruimen van de boomspiegels en gronduitwisseling. Dat het college bomen in andere straten die in het trottoir staan en wortelopdruk veroorzaken niet kapt, kan niet tot het oordeel leiden dat het college de kapvergunning niet heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang dat, zoals van de zijde van het college ter zitting is toegelicht, in geval van geplande infrastructurele werkzaamheden, de desbetreffende straat ook ten aanzien van andere aspecten wordt onderzocht en specifiek voor die straat de meest gewenste straatinrichting wordt gekozen. De vervanging van de riolering in de St. Josephstraat heeft ertoe geleid dat behalve herinrichting van de straat er ook aanleiding is voor de kap van de bomen.

Het betoog van [appellanten] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college geen goede belangenafweging heeft verricht slaagt niet. Het college heeft in het besluit op bezwaar uitgebreid gemotiveerd waarom het belang bij het kappen van de bomen zwaarder weegt dan het belang bij het behoud van de bomen. De getalsmatige verhouding tussen voor- en tegenstanders van de kap van de bomen is daarbij niet doorslaggevend geweest. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de belangenafweging, mede gelet op de opgelegde herplantplicht, niet onredelijk is.

Hetgeen [appellanten] voor het overige in hoger beroep hebben aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het besluit op bezwaar heeft kunnen komen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

18-609.