Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1884

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200809432/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) - voor zover hier van belang - op de aanvraag van [appellante] om een subsidie van € 10.000,00 voor vier ongebruikte vrachtwagens met een Euro 5 dieselmotor met een vermogen van 300 kW van het merk DAF, type FAS CF85, met de kentekens [A], [B], [C] en [D], de subsidie vastgesteld op € 2.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809432/1/M1.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2008 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) - voor zover hier van belang - op de aanvraag van [appellante] om een subsidie van € 10.000,00 voor vier ongebruikte vrachtwagens met een Euro 5 dieselmotor met een vermogen van 300 kW van het merk DAF, type FAS CF85, met de kentekens [A], [B], [C] en [D], de subsidie vastgesteld op € 2.000,00.

Bij besluit van 21 november 2008 heeft de minister het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2008, beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door J. den Hartigh, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. van Essen en mr. J. Weda, beiden werkzaam bij SenterNovem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor (hierna: de Subsidieregeling) wordt onder eerste kentekenhouder verstaan de kentekenhouder van een motorrijtuig aan wie de eerste afgifte van een kentekenbewijs of een deel I B heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 25, derde lid, van het Kentekenreglement.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Subsidieregeling kan, voor zover hier van belang, subsidie worden verstrekt aan de eerste kentekenhouder van een ongebruikte vrachtauto die beschikt over een Euro 5 dieselmotor.

Ingevolge artikel 2.13, derde lid, van de Subsidieregeling wordt een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen drie maanden na de afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van:

a. een document waaruit blijkt op welke datum de investeringsverplichting voor het voertuig is aangegaan;

b. de aankoopfactuur van het voertuig;

c. het definitieve kentekenbewijs van het voertuig waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder b sub 1°, van de Subsidieregeling bedraagt het subsidiebedrag € 500,- per vrachtauto of bus die beschikt over een Euro 5 dieselmotor wanneer het voertuig een motorvermogen heeft van 225 kW of meer.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt, indien op het tijdstip van de afgifte van het kentekenbewijs, bedoeld in artikel 2.13, derde lid, een ander subsidiebedrag in het eerste lid was genoemd, het subsidiebedrag dat andere bedrag.

2.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Kentekenreglement bestaat een tweedelig kentekenbewijs uit een deel I A, een deel I B en een deel II.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel bestaat een kentekenbewijs dat wordt afgegeven indien met betrekking tot het voertuig bij een in artikel 22 of 26 van de wet bedoelde keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of dat voertuig al dan niet voldoet aan de voor toelating tot het verkeer op de weg vastgestelde eisen en afgifte naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer verantwoord is, uit een deel I A.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel kan aan deel I A van een kentekenbewijs bij de afgifte daarvan een bijlage worden toegevoegd, bevattende gegevens met betrekking tot het voertuig. Deze bijlage maakt deel uit van het deel I A.

Ingevolge artikel 20, vierde lid, van het Kentekenreglement heeft een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, zesde lid, een geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Kentekenreglement stelt de eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd, het voertuig voor een onderzoek ter beschikking bij de Dienst Wegverkeer en vraagt hij bij deze dienst onder overlegging van een bij ministeriële regeling aangewezen legitimatiebewijs, een kentekenbewijs aan.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt de eigenaar of houder van een voertuig waarvoor de eerste afgifte van een tweedelig kentekenbewijs wordt gevraagd en waarvoor reeds een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven krachtens artikel 46, tweede lid, onderdeel b, dit tweedelig kentekenbewijs aan bij de Dienst Wegverkeer onder overlegging van het deel I A, het deel II en het in het eerste lid bedoelde legitimatiebewijs.

Ingevolge het derde lid van dit artikel geeft de Dienst Wegverkeer aan degene die aan de verplichtingen in het eerste of tweede lid heeft voldaan, een kentekenbewijs, respectievelijk een deel I B af.

2.3. De minister heeft zich op grond van de in de aanvraag verstrekte gegevens op het standpunt gesteld dat het tijdstip van de afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan [appellante], als eerste kentekenhouder, 1 april 2008 of later is en dat, gelet op artikel 2.14, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, aanhef en onder b sub 1°, van de Subsidieregeling, zoals dat artikel sinds 1 april 2008 geldt, voor subsidieaanvragen voor voertuigen waarvoor vanaf 1 april 2008 het definitieve kentekenbewijs is afgegeven, het subsidiebedrag € 500,00 bedraagt.

De hoogte van het subsidiebedrag wordt volgens de minister bepaald door het moment van afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder. Pas als alle delen van het kentekenbewijs, te weten deel I A, deel I B en deel II, zijn afgegeven, is het kentekenbewijs definitief, aldus de minister.

2.4. [appellante] stelt dat de vrachtwagens op 31 maart 2008 zijn geregistreerd en in gebruik genomen. Op diezelfde datum heeft [appellante] de voorlopige kentekenbewijzen ontvangen. [appellante] betoogt dat het haar niet mag worden aangerekend dat de Dienst Wegverkeer de vrachtwagens pas op of na 1 april 2008 op haar naam heeft gesteld. [appellante] betoogt dat de aanscherping op 12 maart 2008 van de Subsidieregeling door in artikel 2.13, derde lid, en vierde lid, onder c, van de Subsidieregeling in plaats van een kentekenbewijs een definitief kentekenbewijs te verlangen, pas kort daarvoor was aangekondigd. Daardoor en doordat de desbetreffende voertuigen veelal nog niet klaar plegen te zijn en/of de Dienst Wegverkeer niet in de gelegenheid is om een afspraak voor de keuring te vervroegen, heeft [appellante] hierop haars inziens niet kunnen anticiperen. Nu zij in zoverre geen invloed op de datum heeft, dient volgens [appellante] de datum van het tijdelijke kentekenbewijs te worden aangehouden, waardoor het subsidiebedrag niet zou uitkomen op € 500,00 maar op € 2.500,00 per vrachtwagen.

2.5. Niet in geschil is dat [appellante] de eerste kentekenhouder, in de zin van artikel 1.1, aanhef en onder g, van de Subsidieregeling, is van de ongebruikte vrachtwagens met een Euro 5 dieselmotor met de kentekens [A], [B], [C] en [D].

Uit artikel 17, eerste lid, in samenhang met artikel 25 van het Kentekenreglement volgt dat onder een definitief kentekenbewijs wordt verstaan een tweedelig kentekenbewijs, te weten deel I A, deel I B en deel II. Uit artikel 20, vierde lid, in onderlinge samenhang bezien met artikel 17, zesde en zevende lid, van het Kentekenreglement moet worden afgeleid dat er pas sprake is van een definitief kentekenbewijs op het moment dat deel I B is afgegeven.

Het door [appellante] gevoerde betoog dat, nu zij niet heeft kunnen anticiperen op de wijziging van artikel 2.13 van de Subsidieregeling in maart 2008, de datum van het tijdelijke kentekenbewijs dient te worden aangehouden, treft geen doel. Artikel I, onder M, van de Wijziging regeling Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen (Stcrt. 2008, nr. 51) bepaalt dat in artikel 2.13, derde lid, en vierde lid, onder c, van de Subsidieregeling "het kentekenbewijs" wordt vervangen door: "het definitieve kentekenbewijs". Daarmee is geen ruimte gelaten voor de interpretatie van [appellante] Nu deel I B onbetwist is gedateerd op of na 1 april 2008, is er pas op die momenten sprake geweest van een definitief kentekenbewijs voor elk van de vrachtwagens. Omdat het subsidiebedrag wordt bepaald door het moment van afgifte van het definitieve kentekenbewijs aan de eerste kentekenhouder, heeft de minister, daarbij uitgaande van een moment op of na 1 april 2008 als datum van de afgifte van de definitieve kentekenbewijzen, de subsidie terecht vastgesteld op € 500,00 per vrachtwagen. De omstandigheid dat het, gelet op de korte periode tussen deze wijziging van de Subsidieregeling en 1 april 2008 voor [appellante], niet mogelijk was de keuring bij de Dienst Wegverkeer te vervroegen om zodoende de afgifte van een definitief kentekenbewijs vóór 1 april 2008 te verzekeren, doet aan het voorgaande niet af. Daarbij is in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat het te naam stellen van een voertuig waarvoor reeds een voorlopig kentekenbewijs is afgegeven, meer inhoudt dan een louter administratieve handeling van de Dienst Wegverkeer.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

195-209.