Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200805120/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tamoil B.V. (hierna: Tamoil) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een verkooppunt van motorbrandstoffen (exclusief LPG) aan de Ringbaan Noord 177a te Tilburg. Dit besluit is op 16 juni 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/181
JOM 2009/583

Uitspraak

200805120/1/M1.

Datum uitspraak: 3 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tamoil B.V. (hierna: Tamoil) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een verkooppunt van motorbrandstoffen (exclusief LPG) aan de Ringbaan Noord 177a te Tilburg. Dit besluit is op 16 juni 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door L.J. van Wissen en ing. P.W.T.M. van Uum, beiden werkzaam bij de gemeente, ter zitting zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Tamoil, vertegenwoordigd door mr. drs. S.A. Gijssen en [partij], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is, nu [appellante] geen zienswijzen over het ontwerp van het besluit naar voren heeft gebracht en niet is gebleken dat dit haar redelijkerwijs niet kan worden verweten.

2.2. [appellante] betoogt dat het niet naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerp van het besluit haar redelijkerwijs niet kan worden verweten. Daartoe voert zij aan zij niet in kennis is gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Voorts is volgens haar geen kennis gegeven van het ontwerp in het huis-aan-huisblad de "Tilburgse Koerier". Voor zover die kennisgeving wel zou hebben plaatsgevonden, stelt [appellante] dat de "Tilburgse Koerier" niet bij haar wordt bezorgd.

2.2.1. Ingevolge artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp.

Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van de Awb zendt het bestuursorgaan, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.2.2. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorie├źn milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt. (Uitspraak van 1 november 2006, in zaak nr. 200602308/1, www.raadvanstate.nl en AB 2007, 95.)

[appellante] heeft eerst in beroep gronden aangevoerd met betrekking tot geluidhinder. Aangezien het besluit op dit onderdeel is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp kan [appellante] redelijkerwijs niet worden verweten dat zij daarover geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Anders dan het college stelt is er derhalve geen grond om het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.3. Ten aanzien van de beroepsgrond over externe veiligheid overweegt de Afdeling dat het besluit op dit punt, anders dan met betrekking tot geluidhinder, niet gewijzigd is ten opzichte van het ontwerp.

Voorts is uit de stukken gebleken dat het college kennis heeft gegeven van het ontwerp in het huis-aan-huisblad de "Tilburgse Koerier" van 7 februari 2008 en dat dit huis-aan-huisblad ook wordt bezorgd op het adres waar [appellante] blijkens de stukken kantoor houdt.

Op het college rustte geen plicht om het ontwerp aan [appellante] te zenden, nu zij geen belanghebbende is tot wie het besluit zal zijn gericht, als bedoeld in artikel 3:13, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande is er geen reden voor het oordeel dat [appellante] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij op dit punt geen zienswijze over het ontwerp naar voren heeft gebracht. Het beroep dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard voor zover het de grond over externe veiligheid betreft.

2.3. [appellante] stelt dat in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van IJmeer adviesbureau van 10 juli 2007 (hierna: het akoestisch rapport) en in het bestreden besluit voor het aspect geluid ten onrechte wordt uitgegaan van drie beoordelingsperioden. Volgens haar sluit dit niet aan bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), waarin voor wat betreft de geluidhinder bij tankstations wordt uitgegaan van twee beoordelingsperioden.

2.3.1. [appellante] doelt kennelijk op artikel 2.17, vierde lid, van het Activiteitenbesluit, waarin wordt verwezen naar tabel 2.17d. In deze tabel wordt uitgegaan van twee beoordelingsperioden, te weten van 07.00 tot 21.00 uur en van 21.00 tot 7.00 uur. Uit artikel 1.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit volgt evenwel dat genoemd artikel 2.17 geen regels bevat waaraan degene die een inrichting type C, zoals hier aan de orde, dient te voldoen. Artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit stond er dan ook niet aan in de weg om in vergunningvoorschrift 5.1.1, dat betrekking heeft op het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau, uit te gaan van de drie beoordelingsperioden die afkomstig zijn uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (Ministerie van VROM, oktober 1998), te weten de dagperiode van 07.00 uur tot 19.00 uur, de avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur en de nachtperiode van 23.00 uur tot 07.00 uur. Het beroep faalt in zoverre.

2.4. [appellante] stelt dat in het akoestisch rapport is uitgegaan van een te gering aantal voertuigen dat het tankstation bezoekt buiten de bemande openingstijden na 21.00 uur. Nu controle op het aantal bezoekende voertuigen volgens [appellante] onmogelijk is, dient aanvraagster in de aanvraag een juist beeld van het aantal voertuigbewegingen te geven, aldus [appellante].

2.4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het akoestisch rapport een representatief beeld geeft van de aangevraagde activiteiten en de akoestische gevolgen daarvan.

2.4.2. In het akoestisch rapport is voor de avondperiode uitgegaan van 16 bezoekende personenauto's en 1 bezoekende bestelwagen; voor de nachtperiode is gerekend met 6 bezoekende personenauto's. Ter zitting is van de zijde van Tamoil gesteld dat deze cijfers deels zijn gebaseerd op bestaande bezoekersgegevens en deels op een schatting van het aantal auto's dat de inrichting zal aandoen in de uren dat die inrichting tot nu toe gesloten was. De Afdeling ziet in de stukken noch in het verhandelde ter zitting aanleiding de aantallen bezoekende auto's waarmee in het akoestisch rapport is gerekend, niet representatief te achten voor de aangevraagde activiteiten. Het beroep faalt in zoverre.

2.5. [appellante] stelt dat de opsteller van het akoestisch rapport er ten onrechte van is uitgegaan dat de gevel van de woning van [appellante] aan de zijde van de inrichting een gevel is zonder te openen delen. Volgens [appellante] zitten in deze gevel ramen die geopend kunnen worden en die ook daadwerkelijk worden geopend. Volgens [appellante] had de vergunning geweigerd moeten worden, nu uit het akoestisch rapport blijkt dat de grenswaarde voor het maximale geluidniveau in de dagperiode wordt overschreden, indien wordt uitgegaan van een gevel met te openen delen.

2.5.1. De grenswaarden voor het maximale geluidniveau gelden ingevolge vergunningvoorschrift 5.1.1 op de gevels van gevoelige gebouwen en niet binnen in die gebouwen. Voor het antwoord op de vraag of een grenswaarde voor het maximale geluidniveau al dan niet wordt overschreden, is derhalve niet van belang of zich in een gevel wel of niet te openen delen zoals ramen bevinden. Het beroep faalt in zoverre.

2.6. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de grond over externe veiligheid betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2009

288.