Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200808084/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) een aanvraag van [appellant] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808084/1/H2.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 september 2008 in zaak nr. 07/2660 in het geding tussen:

[appellant]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch (hierna: de raad) een aanvraag van [appellant] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 2 augustus 2007 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 september 2008, verzonden op 24 september 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 5 november 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 december 2008.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.B. van Dijken, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb kan de raad de toevoeging weigeren indien de aanvraag wordt ingediend nadat de rechtsbijstand feitelijk is verleend.

Volgens het Handboek Toevoegen kunnen zich omstandigheden voordoen op grond waarvan de te late indiening verschoonbaar kan worden geacht, zoals een spoedeisend belang bij de verlening van rechtsbijstand. De raad zal echter in ieder geval toepassing geven aan artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb, indien de aanvraag wordt ingediend op een moment dat sedert de aanvang van rechtsbijstand meer dan vier weken zijn verstreken.

2.2. [appellant] heeft bij aanvraag van 20 maart 2007 een toevoeging gevraagd voor de behandeling van zijn hoger beroep in een strafzaak. De raad heeft bij het besluit van 29 maart 2007, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 2 augustus 2007, de toevoeging geweigerd aangezien deze is aangevraagd nadat de rechtsbijstand reeds feitelijk was verleend en onvoldoende steekhoudende argumenten voor de te late aanvraag zijn aangevoerd.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank de grondslag van het beroepschrift heeft verlaten en op meerdere punten in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht buiten de grenzen van het geschil is getreden, slaagt niet. De rechtbank heeft op het aan haar door [appellant] voorgelegde geschil beslist op basis van de door partijen overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting. Van schending van evengenoemd artikel is geen sprake.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat de rechtsbijstand in ieder geval is aangevangen met het uitbrengen van de dagvaarding op 8 januari 2007. Hij is van opvatting dat de rechtsbijstand aanvangt zodra hij zijn gemachtigde daartoe de opdracht heeft gegeven. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat de rechtsbijstand ten tijde van de aanvraag nog voortduurde. Hij betoogt tot slot dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij heeft gesteld dat toevoeging voor het hoger beroep ook eerst in cassatie mag worden aangevraagd. Hij heeft in beroep wel betoogd dat die toevoeging kan worden aangevraagd tot uiterlijk het einde van de cassatietermijn.

2.5. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2000 in de zaak nr. 199900704/1 het beleid van de raad met betrekking tot de toepassing van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb, zoals vermeld in het Handboek Toevoegen en weergegeven onder 2.2, terecht niet onredelijk geacht. Hetgeen [appellant] hierover ter zitting heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband is de vraag of hetgeen de rechtbank in overweging 13 van haar uitspraak over het doel van het beleid heeft overwogen juist is, niet van belang.

2.6. De dagvaarding van [appellant] in het hoger beroep in zijn strafzaak is uitgebracht op 8 januari 2007, waarna op 22 februari 2007 de zitting heeft plaatsgevonden en op 8 maart 2007 uitspraak is gedaan. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de rechtsbijstand in dat hoger beroep in ieder geval is aangevangen met die aan de gemachtigde van [appellant] geadresseerde dagvaarding. Gelet op artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb en vermeld beleid is niet het overeenkomen van rechtsbijstandsverlening bepalend voor de aanvang van de rechtsbijstand, zoals [appellant] stelt, maar het feitelijk verlenen van rechtsbijstand. De toevoeging is eerst op 20 maart 2007 en derhalve later dan vier weken na aanvang van de rechtsbijstand aangevraagd, waarbij van bijzondere omstandigheden niet is gebleken. Dat ook tijdens de cassatietermijn nog de toevoeging voor hoger beroep kan worden aangevraagd volgt niet uit het beleid. De omstandigheid dat de rechtsbijstand ten tijde van de aanvraag nog voortduurde, is niet doorslaggevend omdat volgens het beleid de indiening van de aanvraag binnen vier weken na de aanvang van de rechtsbijstand bepalend is. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de raad de aanvraag om toevoeging op goede gronden heeft afgewezen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

18-609.