Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200807787/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) bij besluit van 27 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Nijmegen Goffert-Winkelsteeg" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807787/1/R2.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) bij besluit van 27 februari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Nijmegen Goffert-Winkelsteeg" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 oktober 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 mei 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door ir. M. Muntjewerff, ambtenaar in dienst van de gemeente, en Pluryn Werkenrode Groep, vertegenwoordigd door M. van Schaik, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. De wetgever heeft het beroepsrecht beperkt tot rechtstreeks belanghebbenden teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.3. [appellant] heeft mede beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" met de aanduiding "Maximum bebouwingspercentage 80%", voor zover dat ziet op het pand in het noordoosten van het landgoed De Winckelsteegh (hierna: het landgoed). [appellant] woont op een afstand van 350 meter van het pand en vanuit zijn woning heeft [appellant] geen zicht op het pand. Tussen de woning van [appellant] en het pand staan bovendien diverse gebouwen, bomen en overige groenvoorzieningen die een direct zicht op het pand vanuit de woning van hem ontnemen. Gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks genoemde afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit, in zoverre, zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel wellicht ook is, is daarvoor niet voldoende.

2.4. De conclusie is dat [appellant], voor zover hij beroep heeft ingesteld tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" met de aanduiding "Maximum bebouwingspercentage 80%", voor zover dat is toegekend aan het pand in het noordoosten van het landgoed, geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zodat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO, geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant] voor het overige

2.5. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.6. [appellant] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)", voor zover deze bestemming ziet op de ontsluitingsweg van het terrein van Huize De Winckelsteegh op de Winkelsteegseweg.

2.7. [appellant] stelt dat bij de vaststelling van het plan een procedurele fout is gemaakt nu na de terinzagelegging het ontwerpplan is gewijzigd in die zin dat er een ontsluitingsweg is toegevoegd.

Daarnaast stelt [appellant] dat de ontsluitingsweg in strijd is met het Groenstructuurplan van de gemeente Nijmegen (hierna: het Groenstructuurplan). Naar zijn stellen zou op grond van het Groenstructuurplan op het landgoed, waar Huize De Winckelsteegh onderdeel van uitmaakt, een ecologische verbindingsroute worden gerealiseerd.

Ook voert [appellant] aan dat het uitgevoerde natuurwaardenonderzoek summier is en dat daarbij de migratieroutes van de aanwezige diersoorten niet goed zijn onderzocht en dat voorbij is gegaan aan de aanwezigheid van een aantal diersoorten die op de Nederlandse Rode Lijst van kwetsbare diersoorten staan. In dit kader voert [appellant] aan dat hij op het landgoed geregeld onder andere marterachtigen, bosuilen, buizerds, vossen, vinken, mezen, spechten en gaaien signaleert. Bovendien is het onderzoek onzorgvuldig geweest nu het onderzoek naar de milieueffecten heeft plaatsgevonden voordat de ligging van de ontsluitingsweg bekend was. De mogelijke effecten van de ontsluitingsweg zijn daardoor niet meegenomen. In dit kader had een inspraakprocedure moeten plaatsvinden, aldus [appellant].

Voorts stelt [appellant] dat de cultuurhistorische waarde van het landgoed wordt miskend. Juist het gedeelte waar de ontsluitingsweg is gesitueerd, is een van de meeste waardevolle cultuurhistorische gedeelten van het landgoed. In dit verband voert hij tevens aan dat Huize De Winckelsteegh monumentale waarde heeft. Het college gaat er aan voorbij dat het algemeen is onderkend dat een monument niet op zichzelf moet worden beschouwd, maar haar waarde tevens ontleent aan de samenhang met de directe omgeving. Zeker inzake Huize De Winckelsteegh zijn de aanwezigheid en het karakter van de direct omliggende landschapselementen onlosmakelijk met elkaar verbonden, aldus [appellant].

2.8. Het college stelt zich op het standpunt dat de rechtszekerheid van de bestemmingsplanprocedure is gewaarborgd door de mogelijkheid om bedenkingen bij het college tegen het vastgestelde plan in te brengen en eventueel nadien nog beroep bij de Afdeling in te stellen. In dit geval is er geen sprake van een extra ontsluitingsweg, maar van een alternatieve route. Deze aanpassing heeft geen dusdanige invloed op de natuur en het milieu dat om deze reden goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" moet worden onthouden, aldus het college.

2.9. Voor zover [appellant] stelt dat er een procedurele fout is gemaakt in de planprocedure met het oog op de nieuwe ontsluitingsweg overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerpplan. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerpplan naar haar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar haar aard en omvang echter niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het ontwerpplan reeds in een ontsluitingsweg voorzag, maar dat voor een alternatieve route is gekozen naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen en amendementen. Het betoog van [appellant] dat bij de vaststelling van het plan een procedurele fout is gemaakt nu na de terinzagelegging het plan is gewijzigd in die zin dat er een ontsluitingsweg is toegevoegd, slaagt gelet op het voorgaande niet.

2.9.1. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat het plan in strijd is met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) overweegt de Afdeling het volgende. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan had mogen verlenen, indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In het kader van de Ffw is een ecologische quickscan gemaakt, weergegeven in het Bilanrapport 2005/48, Nijmegen, De Winckelsteegh. Voorts is een vervolgonderzoek gedaan naar het voorkomen van de rode eekhoorn, weergegeven in het Bilanrapport 2006/183, Nijmegen - (GLD) - Nijmegen, Winckelsteegh (hierna: de onderzoeken).

Uit de onderzoeken is gebleken dat het plangebied voornamelijk van betekenis is voor algemeen voorkomende beschermde zoogdieren, amfibieën en broedvogels. In het plangebied kunnen algemene soorten voorkomen waarvoor ontheffing kan worden verleend. Tevens is nader onderzoek gedaan naar de minder algemene rode eekhoorn. Uit dit onderzoek is gebleken dat, voor zover de rode eekhoorn in het gebied aanwezig zou zijn, gezien het relatief geringe oppervlak van het te kappen bos ten opzichte van de totale oppervlakte leefgebied voor de rode eekhoorn, een negatief effect op het populatieniveau niet is te verwachten. Op basis van het onderzoek wordt verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van de rode eekhoorn niet in het geding is bij de voorgenomen plannen indien een aantal nader weergegeven aanbevelingen worden gevolgd. Indien de aanbevelingen worden gevolgd, wordt verwacht dat een ontheffing niet nodig is, aldus het onderzoek.

In hetgeen [appellant] in dit kader heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit van het college in dit kader onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins onjuist is te achten. Hierbij is in aanmerking genomen dat [appellant] geen gegevens heeft aangedragen die twijfels oproepen aan de juistheid of volledigheid van de aan het besluit ten grondslag liggende onderzoeken, waardoor hij derhalve niet aannemelijk heeft weten te maken dat de onderzoeken ondeugdelijk zouden zijn uitgevoerd.

Evenmin is, gelet op de ter zake uitgebrachte rapporten, aannemelijk geworden dat het gewijzigde tracé invloed heeft op de ter plaatse voorkomende natuurwaarden zodat niet valt in te zien dat een hernieuwd onderzoek noodzakelijk was.

Ook is, gelet op het ter plaatse uitgevoerde onderzoek alsmede in aanmerking nemende dat het om een enkele ontsluitingsweg gaat, niet aannemelijk geworden dat het gewijzigde tracé in de weg staat aan de aanleg van een ecologische verbindingsroute.

2.9.2. Blijkens de stukken is Huize De Winckelsteegh als gemeentelijk monument beschermd. De formele bescherming van het gebied en de elementen daarin is beperkt tot het hoofdgebouw zelf. De parkaanleg bezit niet een dergelijke bescherming. De groene omgeving is, zo blijkt uit de stukken, wel van wezenlijk belang voor de monumentale kwaliteit van het hoofdgebouw.

Blijkens de stukken zal voorts in het gebied ten westen van het monumentale gebouw, waar ook de ontsluitingsweg is voorzien, om redenen van cultuurhistorische aard een gebouw worden gesloopt en vervangen worden door groenvoorzieningen. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de nieuwe ontsluitingsweg gebruik maakt van de bestaande ontsluiting van de te slopen bebouwing, valt niet in te zien dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan te leggen weg geen onevenredige inbreuk zal maken op de waarden van het landgoed en Huize De Winckelsteegh.

2.10. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" voor zover dit betrekking heeft op de ontsluitingsweg van het terrein van Huize De Winckelsteegh op de Winkelsteegseweg niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" met de aanduiding "Maximum bebouwingspercentage 80%", voor zover dat is toegekend aan het pand in het noordoosten van het landgoed De Winckelsteegh;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Matulewicz

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

45-605.