Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200807444/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude, thans gemeente Kaag en Braassem (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het opbouwen van een dakterras tot serre en het realiseren van een dakterras voorzien van balkonhekken op de aanbouw van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807444/1/H1.

Datum uitspraak: 8 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 augustus 2008 in zaken nrs. 08/1286 en 08/1410 in het geding tussen:

1. [appellanten]

2. [wederpartijen sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Jacobswoude, thans gemeente Kaag en Braassem (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het opbouwen van een dakterras tot serre en het realiseren van een dakterras voorzien van balkonhekken op de aanbouw van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 27 augustus 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2009, waar [appellant A], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door ir. J. Beelen, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], in persoon en vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een serre van 25 m² op een bestaand dakterras en het realiseren van een nieuw dakterras voorzien van balkonhekken. Omdat de goot- of boeibordhoogte van het hoofdgebouw bij realisering van het bouwplan 55 cm hoger is dan de ingevolge het bestemmingsplan "Kernen Leimuiden/Rijnsaterwoude" (hierna: het bestemmingsplan) maximaal toegestane hoogte van 6 m, heeft het college vrijstelling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de planvoorschriften verleend.

2.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is het college bevoegd, voor zover thans van belang, vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 15%.

Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover thans van belang, vrijstelling niet verleend, indien daardoor onevenredig afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

2.3. [appellanten] betwisten het oordeel van de rechtbank dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.3.1. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de effecten van de van het glazen dak van de serre te verwachten zonlichtreflectie niet zodanig zullen zijn dat daardoor een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de gebruiksmogelijkheden van de woning van [appellanten] op [locatie 2]. Zij voeren hiertoe aan dat het door het college uitgevoerde onderzoek naar zonlichtreflectie ondeugdelijk is en de conclusie daarvan, dat voor hun woning geen zonlichtweerkaatsing valt te verwachten, onjuist. Uit door hen overgelegde foto's en berekeningen valt af te leiden dat ten gevolge van de serre zonlichtweerkaatsing in hun dakkapel zal zijn te verwachten, aldus [appellanten]. Voorts wijzen zij op foto's die zijn gemaakt na realisering van het bouwplan en waarop daadwerkelijk weerkaatsing van het zonlicht in de dakkapel is te zien.

2.3.1.1. Het college heeft zijn standpunt dat realisering van het bouwplan geen onevenredige afbreuk zal doen aan de gebruiksmogelijkheden van de omliggende woningen zowel gebaseerd op een door [vergunninghouder] overgelegd en door de architect van het bouwplan opgesteld zonlichtweerkaatsingsschema, als op eigen berekeningen. In het zonlichtweerkaatsingsschema is vermeld dat de laagstaande zon gedurende enkele weken rond 21 juni via een dakreep van het serredak in de dakkapel zal schijnen. Volgens de berekeningen van het college is voor de woning van [appellanten] geen zonlichtweerkaatsingsoverlast te verwachten. In het verweerschrift heeft het college erkend dat de diagrammen op grond waarvan de berekeningen zijn uitgevoerd, mogelijk niet nauwkeurig genoeg zijn geweest. Het college weerspreekt in verweer niet de conclusie van de door [appellanten] overgelegde berekeningen dat gedurende vijf maanden per jaar tussen 18.30 uur en 19.30 uur in meer of mindere mate zonlichtweerkaatsing in de dakkapel van hun woning is te verwachten en na realisering van het bouwplan ook daadwerkelijk plaatsvindt. Het standpunt van het college dat geen sprake is van een onevenredige inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van de woning van [appellanten] verandert hierdoor echter niet, aldus het college.

2.3.1.2. Het door [appellanten] aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de effecten van de tengevolge van de serre te verwachten zonlichtreflectie niet zodanig zullen zijn dat daardoor een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de gebruiksmogelijkheden van hun woning. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college in het besluit van 15 januari 2008 ten aanzien van de naastgelegen woning op [locatie 3], bewoond door [wederpartijen sub 2], reeds was uitgegaan van een weerkaatsingsoverlast die vergelijkbaar is met de thans door [appellanten] voor hun woning overgelegde berekening. Het college heeft zich toen reeds op het standpunt gesteld dat deze mate van zonlichtweerkaatsing beperkt zal zijn, omdat in de desbetreffende maanden de zonlichtweerkaatsing zich slechts gedurende hooguit een uur per dag namelijk van 18.00 tot 19.00 uur zal voordoen en de zon op dat tijdstip ook rechtstreeks in de dakkapel zal schijnen. Dat [appellanten], naar gesteld, het zonlicht dat via weerkaatsing de dakkapel binnen komt als hinderlijker ervaren dan het direct naar binnen schijnende zonlicht, maakt dit niet anders.

2.3.2. Voor zover [appellanten] hun bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond handhaven dat het verlies van hun uitzicht vanuit de dakkapel op het Braassemermeer een onevenredige inbreuk van het bouwplan vormt op de gebruiksmogelijkheden van hun woning, is dat tevergeefs. De rechtbank heeft deze beroepsgrond verworpen onder verwijzing naar de bebouwingsmogelijkheden die [vergunninghouder] krachtens het bestemmingsplan ten dienste staan. [appellanten] hebben niet uiteengezet dat en waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist zijn.

2.3.3. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009

488.