Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1850

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200902307/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) bij besluit van 2 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Steyl" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902307/2/R2.

Datum uitspraak: 30 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Venlo (hierna: de raad) bij besluit van 2 juli 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Steyl" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] (hierna: de vennootschap onder firma) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2009, beroep ingesteld. Bij diezelfde brief heeft de vennootschap onder firma de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2009, waar de vennootschap onder firma, vertegenwoordigd door [vennoot B], is verschenen. Verder is de raad, vertegenwoordigd door T.A.A. Thijssen, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. De vennootschap onder firma betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5.4, onder g, van de planvoorschriften, voor zover daarin een verbod is opgenomen voor het gebruik van gronden ten behoeve van opslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn. De vennootschap onder firma voert aan dat zij ten gevolge van deze verbodsbepaling wordt beperkt in de mogelijkheid van opslag van zand en grind op het voorterrein van haar perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), alwaar zij haar bedrijf uitoefent.

2.2.1. Ingevolge artikel 5.4., aanhef en onder g, van de planvoorschriften wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Bedrijf" in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van opslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn. Het begrip voorgevelrooilijn is in artikel 1 van de planvoorschriften omschreven als een op de plankaart aangegeven naar de weg gekeerde bouwgrens. In het bestreden besluit is daarover aangegeven dat het voornoemde verbod daarom alleen geldt voor dat gedeelte van het voorterrein van het perceel dat is gelegen tussen de naar de weg gekeerde bouwgrens en de bestemmingsgrens dan wel weg. Ter zitting heeft de raad aan de hand van een kaartje aangegeven op welk deel van het perceel ten gevolge van de bestreden verbodsbepaling volgens hem thans geen opslag van zand en grind meer kan plaatsvinden. De voorzitter stelt vast dat dit een smalle strook grond betreft, die een klein deel van het totale perceel betreft waar de opslag plaatsvindt.

2.2.2. Onder deze omstandigheden is de voorzitter van oordeel dat het in werking treden van genoemd artikel niet zodanige directe gevolgen heeft voor de positie van de vennootschap onder firma dat zij daarom een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening voor wat betreft dit plandeel.

2.3. De vennootschap onder firma betoogt voorts dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de in artikel 30.2, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor zover die betrekking heeft op een nabijgelegen perceel aan de Keramiekstraat en voor zover die het mogelijk maakt dat op dit perceel de bouw van woningen mogelijk wordt gemaakt. De vennootschap onder firma vreest dat zij ten gevolge van de komst van woningen in de nabijheid van haar bedrijfsterrein in haar bedrijfsvoering zal worden belemmerd.

2.3.1. Ingevolge artikel 30.2 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bestemmingen "Bedrijf", "Detailhandel", "Dienstverlening" en/of "Kantoor" te wijzigen in de bestemming "Wonen" of de bestemmingen "Wonen" en "Verkeer en verblijf".

2.3.2. Ter zitting is gebleken dat niet is uit te sluiten dat het wijzigingsplan hangende de procedure in de bodemzaak tot stand zal komen, zodat de voorzitter zal ingaan op hetgeen de vennootschap onder firma naar voren heeft gebracht ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid. In hetgeen is aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand valt aan te nemen dat de goedkeuring van dit planonderdeel in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat in artikel 30.2, onder 4, van de planvoorschriften als voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is opgenomen dat een goed woonmilieu gegarandeerd moet zijn en omliggend bedrijven niet in hun bedrijfsmatig functioneren beperkt mogen worden. Woningbouw op het nabijgelegen perceel is eerst mogelijk indien daarvoor een wijzigingsplan tot stand is gekomen, welk plan een eigen totstandkomingsprocedure kent met afzonderlijke rechtsbeschermingsmogelijkheden. In het kader van die procedure zal nader gekeken moeten worden naar de belangen van en de eventuele effecten voor het bedrijf van de vennootschap onder firma. Indien de vennootschap onder firma zich op het standpunt stelt dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan kan dat in het kader van de wijzigingsprocedure aan de orde worden gesteld. Voorts neemt de voorzitter in aanmerking dat op de zitting naar voren is gebracht dat het perceel aan de Keramiekstraat, waar de woningen zijn voorzien, zodanig kan worden ingericht dat de woningen niet in de nabijheid van het bedrijfsperceel worden gesitueerd en is gebleken dat reeds in de bestaande situatie woningen op korte afstand van het bedrijf zijn gelegen, waardoor het bedrijf in uitbreidingsmogelijkheden reeds is beperkt.

2.4. De vennootschap onder firma betoogt verder dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijf" ter plaatse van het perceel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ten onrechte alleen de zand- en grindhandel positief is bestemd in het plan en dat transport- en horeca-activiteiten, die naar haar stelling ook plaatsvinden op het perceel, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Tevens is ten onrechte de bij het bedrijfspand behorende veranda niet als zodanig bestemd. De vennootschap onder firma heeft in dit verband nog aangevoerd dat niet alleen transportactiviteiten plaatsvinden ten dienste van de zand- en grindhandel, maar dat binnen het bedrijf ook één vrachtwagen wordt ingezet ten behoeve van transport dat geen verband houdt met de zand- en grindhandel.

2.4.1. Ingevolge het plan is aan het perceel van de vennootschap onder firma de bestemming "Bedrijf" toegekend. Op de plankaart is op het perceel tevens een "I" aangegeven. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in bijlage 1 behorende bij deze voorschriften onder de categorieën 1 en 2 en tevens voor zover op de plankaart aangegeven met het cijfer I voor een zand- en grindhandel.

2.4.2. In het geldende bestemmingsplan "Alland-Nabben" is aan het perceel een groenbestemming toegekend. Het bedrijf valt onder het overgangsrecht van dit plan. Met het aan de orde zijnde plan wordt uitsluitend het gebruik van de gronden ten behoeve van de bestaande zand- en grindhandel als zodanig bestemd en niet de overige door de vennootschap onder firma genoemde activiteiten.

2.4.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de transportactiviteiten van het bedrijf ten dienste staan van de zand- en grindhandel waardoor een aparte aanduiding transportbedrijf niet aan de orde is. Ten aanzien van de horeca-activiteiten heeft de raad het standpunt ingenomen dat deze sinds 1997 niet meer plaatsvinden in het bedrijfspand op het perceel en dat om die reden de verleende vergunning op grond van de Drank- en Horecawet voor het uitoefenen van een horecabedrijf is vervallen. De vennootschap onder firma heeft, aldus de raad, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er op het perceel thans een horecabedrijf wordt geëxploiteerd. De raad heeft tevens aangegeven dat hij uit ruimtelijke overwegingen geen horecabestemming wil toekennen. Het college onderschrijft het standpunt van de raad.

Ten aanzien van de veranda heeft de raad aangegeven dat de veranda op grond van artikel 26.1 van de planvoorschriften kan blijven staan. Voor zover voornoemd artikel niet van toepassing is op de onderhavige situatie, kan de veranda, aldus de raad, blijven staan op grond van het overgangsrecht als opgenomen in artikel 33 van de planvoorschriften. Het college onderschrijft ook dit standpunt.

2.4.4. De voorzitter ziet in hetgeen de vennootschap onder firma naar voren heeft gebracht ten aanzien van het niet positief bestemmen van de horeca- en transportactiviteiten en veranda geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat naar voorlopig oordeel de vennootschap onder firma - mede gelet op de inhoud van een brief van burgemeester en wethouders van Tegelen van 31 januari 2000, een aanvraag om milieuvergunning van de vennootschap onder firma die is ingediend op 13 november 1998 en een brief van [de heer] en [mevrouw] van 6 mei 2006 - niet aannemelijk heeft gemaakt dat het perceel de laatste jaren onafgebroken in gebruik is geweest ten behoeve van een horecabedrijf en transportbedrijf anders dan ten behoeve van de zand- en grindhandel. Indien de genoemde bedrijfsactiviteiten overigens wel tot het bestaande gebruik gerekend moeten worden, vallen die na de inwerkingtreding van het plan onder het gebruiksovergangsrecht dat is opgenomen in artikel 33.3 van de planvoorschriften en kunnen die activiteiten op grond daarvan worden voortgezet. In dat geval heeft het in werking treden van genoemd plandeel geen directe gevolgen voor de positie van de vennootschap onder firma. Conform hetgeen de raad heeft aangegeven kan ook de veranda - na de inwerkingtreding van het plan - worden gehandhaafd.

2.4.5. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek van de vennootschap onder firma voor het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009

224.