Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
08-07-2009
Zaaknummer
200903351/1/M2 en 200903351/2/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) besloten het verzoek van [appellant] om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het loon- en grondverzetbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats] niet in behandeling te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903351/1/M2 en 200903351/2/M2.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende (hierna: het college) besloten het verzoek van [appellant] om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het loon- en grondverzetbedrijf gelegen aan de [locatie] te [plaats] niet in behandeling te nemen.

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen alsnog afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 26 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en het college, vertegenwoordigd door M.L. Hendrikx, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], bijgestaan door mr. F.A. Pommer, advocaat te 's-Hertogenbosch, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte zijn verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen heeft afgewezen omdat dit volgens het college geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevat. Volgens [appellant] heeft het besluit op bezwaar van 28 november 2007 betrekking op zijn eerdere verzoeken om handhaving, in verband met andere activiteiten dan waarop het handhavingsverzoek van 24 september 2008 ziet, zodat laatstgenoemd verzoek reeds hierom niet kan worden aangemerkt als een herhaald verzoek.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het bij besluit op bezwaar van 28 november 2007 de verzoeken om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen van 13 maart 2002 en 9 juni 2004 heeft afgewezen omdat het loon- en grondverzetbedrijf onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit) valt en de activiteiten in verband waarmee [appellant] nu heeft verzocht om het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen onder dit besluit zijn toegelaten. Volgens het college is niet gebleken dat sinds het nemen van het besluit van 28 november 2007 de bedrijfsvoering is gewijzigd, zodat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom dient het verzoek te worden aangemerkt als een herhaald verzoek, aldus het college.

2.2.2. Het verzoek van 13 maart 2002 om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen had, voor zover hier van belang, betrekking op het zonder vereiste vergunning ingevolge de Wet milieubeheer opslaan van puin, grond, zand en groenafval. Het verzoek van 9 juni 2004 om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen had, voor zover hier van belang, betrekking op de uitbouw van de loods en het gebruik van de loods voor stalling van machines, zonder de daarvoor ingevolge de Wet milieubeheer vereiste vergunning.

2.2.3. Het verzoek van 24 september 2008 om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen heeft betrekking op het in strijd met het Besluit door het loon- en grondverzetbedrijf verrichten van civieltechnische werkzaamheden ten behoeve van bouw- en sloopactiviteiten, het verladen van puingranulaat, de inzameling van bouw- en sloopafval en wegenbouw. Het verzoek van 24 september 2008 heeft derhalve betrekking op andere activiteiten en berust op een andere rechtsgrondslag dan waar de verzoeken van 13 maart 2002 en 9 juni 2004 op zagen. Daarom kan dit verzoek niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet hierop lag het op de weg van het college om te onderzoeken of de door [appellant] in het verzoek van 24 september 2008 genoemde overtredingen zich binnen de inrichting voordoen en heeft het college dat verzoek ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht afgewezen.

De beroepsgrond slaagt.

2.3. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte zijn verzoek om vergoeding van de door hem in de bezwaarfase gemaakte kosten heeft afgewezen.

2.3.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten, die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.3.2. Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van [appellant], dat zijn verzoek om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten onrechte buiten behandeling is gelaten, gegrond verklaard en alsnog besloten om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat het besluit van 5 november 2008 is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarom diende het college de door [appellant] in de bezwaarfase gemaakte kosten te vergoeden. Het college heeft in strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht gehandeld door het verzoek om vergoeding van deze kosten af te wijzen.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 14 april 2009 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet verder aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:75 samen met artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht tot vergoeding van de door [appellant] gemaakte kosten in de bezwaarfase te veroordelen.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende van 14 april 2009, kenmerk 155992;

III. wijst het verzoek af;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heeze-Leende aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 683,11 (zegge: zeshonderddrieëntachtig euro en elf cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heeze-Leende aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Heeze-Leende aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

325-578.