Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1600

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
200902298/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / gronden bewaring / uitzetting / geen dwang bij vreemdelingen met Somalische nationaliteit

Voorts heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn grief aangevoerd dat de maatregel van bewaring ook kan worden opgelegd om de desbetreffende vreemdeling er toe te dwingen dat hij voldoet aan zijn vertrekplicht. Ook in dat geval is volgens de staatssecretaris sprake van uitzetting in de zin van de Vw 2000.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1, JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vw 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met die bepaling, indien zicht op uitzetting ontbreekt. In artikel 1 van de Vw 2000 is geen omschrijving van het begrip uitzetting gegeven. Uit de memorie van toelichting bij de voordien geldende Vreemdelingenwet (Kamerstukken II, 1962-1963, 7163, nr. 3, p. 12) blijkt evenwel dat in het ontwerp van die wet de grondwettelijke term uitzetting is gebezigd voor alle gevallen van verwijdering met de sterke arm uit het Rijk. In paragraaf A4/1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bij deze omschrijving aangesloten. Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de desbetreffende vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting. Die dwang wordt bij het vertrek van vreemdelingen met de Somalische nationaliteit naar hun land van herkomst door de staatssecretaris niet uitgeoefend. Naar de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, ontbreekt hem de mogelijkheid om een vreemdeling die terugkomt van zijn verklaring vrijwillig naar Somalië te vertrekken en niet langer wil terugkeren, toch onder dwang te doen terugkeren. Nu uitzetting het doel van bewaring is en de mogelijkheid daartoe in het geval van de vreemdeling ontbreekt, bestond voor het opleggen van die maatregel geen plaats.

De grief faalt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2009/348 met annotatie van mr. G.N. Cornelisse
Ars Aequi RV20090072 met annotatie van A.M. van Kalmthout

Uitspraak

200902298/1/V3.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 26 maart 2009 in zaak nr. 09/8917 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2009 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) met ingang van 15 maart 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 2 april 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, zakelijk weergegeven, ten onrechte heeft overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat uitzetting - de gedwongen verwijdering van de vreemdeling - mogelijk is en dat deze situatie wezenlijk verschilt van de situatie waarin van een vreemdeling wordt verlangd dat hij tegenover de autoriteiten van zijn land van herkomst aangeeft dat hij zich niet tegen de uitzetting verzet, omdat na het afleggen van een dergelijke verklaring, gevolgd door de afgifte van een reisdocument, kan worden overgegaan tot gedwongen verwijdering van de vreemdeling. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris evenzeer ten onrechte overwogen dat het er in de onderhavige zaak feitelijk op neer komt dat de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring houdt totdat hij vrijwillig vertrekt, doch de maatregel van bewaring hiervoor niet is bedoeld.

Ter motivering van zijn grief voert de staatssecretaris aan dat het oordeel van de rechtbank dat de enkele wil tot vrijwillige terugkeer reeds aanleiding zou moeten zijn van de maatregel van bewaring af te zien, mede gelet op artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), geen steun in de wet vindt, nu de aanvullende voorwaarde dat voor zodanige terugkeer ook de gelegenheid moet bestaan niet is vervuld.

Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte betekenis toegekend aan het feit dat de afgelopen jaren geen uitzettingen naar Somalië hebben plaatsgevonden. Daarmee heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris miskend dat zij het hem met haar uitspraak onmogelijk heeft gemaakt te beproeven of en in hoeverre de terugkeer van ongedocumenteerde Somalische vreemdelingen mogelijk is, indien deze vreemdelingen medewerking verlenen aan hun terugkeer. De wil en de vrijwillige medewerking van de vreemdeling is kennelijk afhankelijk geweest van de hoogte van de te verlenen financiële bijdrage bij de terugkeer, zodat de vreemdeling terecht en met oog op uitzetting in bewaring is gesteld, aldus de staatssecretaris.

2.2. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris betoogd dat de rechtbank geen recht heeft gedaan aan de uitspraken van 4 september 2008 in zaak nr. 200805361/1 (www.raadvanstate.nl) en van 23 april 2009 in zaak nr. 200901771/1 (www.raadvanstate.nl), waarin, voor zover thans van belang, is overwogen dat het afleggen van een verklaring gericht op vrijwillige terugkeer geen zodanige strekking heeft dat deze niet van een vreemdeling mag worden verwacht. In dit geval heeft de vreemdeling een verklaring dat hij bereid is vrijwillig terug te keren ondertekend.

In het hoger-beroepschrift heeft de staatssecretaris de overweging van de rechtbank dat sprake is van een wezenlijk verschil met de situatie waarin van een vreemdeling wordt verlangd dat hij tegenover de autoriteiten van zijn land van herkomst aangeeft dat hij zich niet tegen de uitzetting verzet, niet als zodanig bestreden. Met het ter zitting van de Afdeling gehouden betoog heeft de staatsecretaris het gestelde in het hoger-beroepschrift wezenlijk gewijzigd en uitgebreid buiten de voor het instellen van hoger beroep gestelde termijn. Voormeld betoog, wat daarvan ook zij, dient derhalve buiten beschouwing te worden gelaten.

2.3. Het betoog van de staatssecretaris dat de rechtbank van oordeel is dat de enkele wil tot vrijwillige terugkeer reeds aanleiding moet zijn van de maatregel van bewaring af te zien, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak en de overwegingen waartegen de grief is gericht. Reeds hierom kan dat betoog niet tot het daarmee beoogde doel leiden.

2.4. De staatssecretaris heeft ter zitting van de Afdeling gesteld dat terugkeer naar Somalië mogelijk is, nu Daallo Airlines, de luchtvaartmaatschappij die verbindingen onderhoudt met Somalië, bereid is om vreemdelingen van Somalische nationaliteit mee te nemen, indien zij te kennen hebben gegeven vrijwillig te willen terugkeren. Voorts heeft de staatssecretaris ter toelichting van zijn grief aangevoerd dat de maatregel van bewaring ook kan worden opgelegd om de desbetreffende vreemdeling er toe te dwingen dat hij voldoet aan zijn vertrekplicht. Ook in dat geval is volgens de staatssecretaris sprake van uitzetting in de zin van de Vw 2000.

2.4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 december 2004 in zaak nr. 200409206/1, JV 2005/68), is, omdat bewaring krachtens artikel 59 van de Vw 2000 moet zijn gericht op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling, inbewaringstelling in strijd met die bepaling, indien zicht op uitzetting ontbreekt.

In artikel 1 van de Vw 2000 is geen omschrijving van het begrip uitzetting gegeven.

Uit de memorie van toelichting bij de voordien geldende Vreemdelingenwet (Kamerstukken II, 1962-1963, 7163, nr. 3, p. 12) blijkt evenwel dat in het ontwerp van die wet de grondwettelijke term uitzetting is gebezigd voor alle gevallen van verwijdering met de sterke arm uit het Rijk. In paragraaf A4/1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bij deze omschrijving aangesloten.

Het is bij uitstek de dwang waaronder het vertrek van de desbetreffende vreemdeling plaatsvindt die maakt dat sprake is van uitzetting. Die dwang wordt bij het vertrek van vreemdelingen met de Somalische nationaliteit naar hun land van herkomst door de staatssecretaris niet uitgeoefend. Naar de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling heeft verklaard, ontbreekt hem de mogelijkheid om een vreemdeling die terugkomt van zijn verklaring vrijwillig naar Somalië te vertrekken en niet langer wil terugkeren, toch onder dwang te doen terugkeren. Nu uitzetting het doel van bewaring is en de mogelijkheid daartoe in het geval van de vreemdeling ontbreekt, bestond voor het opleggen van die maatregel geen plaats.

De grief faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

347-550.

Verzonden: 1 juli 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak