Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1150

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200807794/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 19.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807794/1/V6.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 september 2008 in zaak nr. 08/190 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete van € 19.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en artikel 15, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 11 januari 2008 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 september 2008, verzonden op 12 september 2008, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. H.M.M. van den Elzen, advocaat te Uden, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.S. van Muiswinkel, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

Ingevolge het tweede lid stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

Ingevolge artikel 18, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15, als beboetbaar feit aangemerkt.

Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

Ingevolge het tweede lid gelden de terzake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elke persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.

Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav, voor zover thans van belang, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits

a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,

b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels) worden bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

Volgens artikel 4 bestaat de totale bij een boetebeschikking op te leggen boete, ingeval er sprake is van meer beboetbare feiten, uit de som van de per beboetbaar feit berekende boetebedragen.

Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 en voor overtreding van artikel 15, tweede lid, op € 1.500,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag) is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij.

Ingevolge artikel 49, eerste alinea, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden ten aanzien van de onderdanen der Lid-staten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Ingevolge Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 van de Toetredingsakte: Polen (hierna: Bijlage XII), onderdeel 2, punt 1, zijn wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG tussen, voor zover thans van belang, Polen en Nederland, artikel 39 en de eerste alinea van artikel 49 van het EG-Verdrag slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Polen, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Poolse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen.

Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage XII het recht op het vrij verkeer van werknemers, zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, tijdelijk te beperken en heeft door voortzetting van de overgangsperiode de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 mei 2007 gehandhaafd (Kamerstukken II, 2003/04, 29 407, nr. 1 e.v.). In Bijlage XII is tussen Polen en Nederland geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van diensten.

2.2. Het op ambtsbelofte onderscheidenlijk ambtseed door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 6 december 2005 (hierna: het boeterapport), houdt in dat op 20 oktober 2005 twee vreemdelingen van Poolse nationaliteit (hierna: de vreemdelingen), bij een varkensfokkerij in aanbouw van [appellante] stalen vloerroosters in de varkensstallen hebben geplaatst, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren afgegeven.

Voorts volgt uit het boeterapport dat bij de bouw van de varkensstallen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TKS Systeembouw B.V. gevestigd te De Mortel (hierna: TKS) als hoofdaannemer optrad. TKS heeft een onderdeel van de aanneemovereenkomst uitbesteed aan [Montagebedrijf], te [plaats]. De vreemdelingen, van wie er een een kledingstuk droeg met als opschrift [Montagebedrijf], waren in loondienst van de firma MEG te Wroclaw, Polen (hierna: MEG). [Montagebedrijf] heeft met MEG een zogeheten werkverdrag afgesloten voor het plaatsen van betonroosters en het verrichten van opruimwerkzaamheden en metselwerkzaamheden bij [appellante]. Het plaatsen van de stalen vloerroosters betrof een tussen [appellante] en [Montagebedrijf] overeengekomen klus en werd uitgevoerd door [Montagebedrijf], ter compensatie voor hulp, verricht door de bedrijfsleider van [appellante] aan [Montagebedrijf]. [Montagebedrijf] heeft voor het plaatsen van de stalen vloerroosters de vreemdelingen ingezet.

2.3. Het betoog van [appellante] dat, gelet op de sinds 1 mei 2007 gewijzigde positie van Polen, de verweten gedraging geen beboetbaar feit meer oplevert, leidt niet tot het ermee beoogde doel. Op 20 oktober 2005, de datum waarop de overtredingen zijn geconstateerd, was voor het laten verrichten van arbeid in Nederland door personen van Poolse nationaliteit een tewerkstellingsvergunning vereist. Dat zulks thans niet meer het geval is, is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 april 2008 in zaak nr. 200704321/1), gelegen in de omstandigheid dat het vereiste uit hoofde van het overgangsregime dat is neergelegd in Bijlage XII, slechts een tijdelijk karakter had, niet omdat het inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van de geconstateerde overtreding is gewijzigd.

2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er onvoldoende feitelijk onderzoek is verricht. Volgens [appellante] bevat het onderzoek onvolkomenheden en is sprake van feitelijke onjuistheden en onvolledigheden omdat uit het boeterapport niet blijkt hoe de bedrijfsleider van [appellante], die volgens het boeterapport aanwijzingen zou hebben gegeven bij het plaatsen van de stalen vloerroosters, bij deze werkzaamheden betrokken was, op welke wijze deze opdracht tot stand is gekomen en wat de onderliggende afspraken waren. Voorts hebben de inspecteurs van de Arbeidsinspectie zich volgens [appellante] eerst na aanvang van het onderzoek en nadat reeds vragen waren gesteld, gelegitimeerd, is ten onrechte de vrijwillige mededeling van de directeur van [appellante] in het boeterapport opgenomen, terwijl uit het boeterapport ook volgt dat deze geen verklaring wenste af te leggen en is het standpunt van de minister volledig gebaseerd op de verklaring van [Montagebedrijf]. Van deze verklaring kan volgens [appellante] echter niet worden uitgegaan, omdat [Montagebedrijf] geen objectieve getuige is. Dat het boeterapport ambtsedig is opgemaakt maakt volgens [appellante] niet dat het onderzoek aan de daaraan te stellen vereisten voldoet.

2.4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2007 in zaak nr. 200608940/1; AB 2007,68) mag de minister in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij de wederpartij tegenbewijs heeft geleverd dat noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. [appellante] heeft niet aangegeven op welk punt de verklaringen van haar directeur, dan wel die van [Montagebedrijf] onjuist zijn weergegeven. Uit de verklaring van [Montagebedrijf] blijkt dat de opdracht voor het leggen van de stalen vloerroosters mondeling tot stand is gekomen. De directeur van [appellante] heeft hierover geen verklaring willen afleggen en [appellante] heeft ook overigens geen stukken met betrekking tot de afspraken overgelegd, zodat uitgegaan moet worden van de juistheid van de inhoud van het op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte en ondertekende boeterapport, waarin de verklaring van [Montagebedrijf] zakelijk is weergegeven. Voorts blijkt uit het boeterapport dat de inspecteurs van de Arbeidsinspectie zich waar nodig hebben gelegitimeerd. Aangezien [appellante] ook op dit punt geen tegenbewijs heeft geleverd, dient te worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud van het boeterapport.

Het betoog faalt.

2.5. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in de beschikbare gegevens geen aanleiding heeft hoeven zien om nader onderzoek te doen naar de vraag of mogelijk sprake is van dienstverlening als bedoeld in artikel 49 van het EG-Verdrag. Hiertoe voert zij aan dat uit de stukken blijkt dat de vreemdelingen in dienst waren bij het Poolse bedrijf MEG, waarvoor zij binnen de gehele Europese Unie arbeid verrichtten. Gelet hierop had de minister dienen te onderzoeken of sprake was van grensoverschrijdende dienstverrichting en of tewerkstellingsvergunningen waren vereist.

2.5.1. Ten tijde van de controle waren de vreemdelingen bezig met het plaatsen van stalen vloerroosters. Zoals uit het boeterapport volgt zijn de vreemdelingen voor deze klus ingezet door [Montagebedrijf], een in Nederland gevestigd bedrijf. [Montagebedrijf] heeft met MEG geen werkverdrag gesloten voor het plaatsen van stalen vloerroosters, zodat moet worden aangenomen dat de vreemdelingen zonder tussenkomst van MEG door [Montagebedrijf] zijn ingezet. Aangezien MEG geen bemoeienis had met deze werkzaamheden van de vreemdelingen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister in de beschikbare gegevens geen aanleiding heeft hoeven zien nader onderzoek te doen naar de vraag of mogelijk sprake was van dienstverlening als bedoeld in artikel 49 van het EG-Verdrag door MEG.

Het betoog faalt.

2.6. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingen arbeid ten dienste van haar hebben verricht en zij als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt. [appellante] voert hiertoe aan dat ten onrechte is overwogen dat de vreemdelingen werkten op aanwijzing van haar bedrijfsleider. De werkzaamheden waren volgens [appellante] incidenteel, kortdurend, eenvoudig en concreet afgebakend en behoorden niet tot haar normale bedrijfsvoering, zodat die niet op basis van een dienstbetrekking werden verricht. Zij had daarmee ook geen bemoeienis, aldus [appellante].

2.6.1. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en deze werkgever is te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (Kamerstukken II 1993/94 23 574, nr. 5, blz. 2).

2.6.2. Uit het boeterapport volgt dat de vreemdelingen ten dienste van [appellante] arbeid hebben verricht, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellante] als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken. Dat [appellante], naar zij stelt, de opdracht tot het verrichten van de werkzaamheden aan [Montagebedrijf] heeft gegeven en met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden geen bemoeienis heeft gehad, leidt niet tot een ander oordeel, omdat, zoals ook blijkt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607474/1, ook een opdrachtgever die via een tussenpersoon arbeid laat verrichten is aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 maart 2007 in zaak nr. 200606955/1) kunnen ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, verschillende werkgevers dezelfde vreemdeling arbeid laten verrichten en kan aan elk van hen, ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 18 en 19a, eerste lid, van de Wav, een boete worden opgelegd, indien geen van hen over een tewerkstellingsvergunning beschikt.

Het betoog faalt.

2.7. Voorts betoogt [appellante] dat reden bestaat voor matiging van de boete, omdat de hoogte van de boete niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding. Hiertoe voert zij aan dat zij geen financieel voordeel van het werk heeft gehad, zij geen bemoeienis had met de vreemdelingen, de vreemdelingen maar twee dagen hebben gewerkt, zij nooit eerder met Polen heeft gewerkt en artikel 4 van de beleidsregels aangemerkt dient te worden als onredelijk beleid. Ter zitting heeft [appellante] nog betoogd dat de overtreding haar niet, dan wel verminderd te verwijten is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat zij gebruik heeft gemaakt van een erkende aannemer die een offerte heeft uitgebracht tegen een marktconforme prijs. [appellante] verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2008 (in zaak nr. 200800734/1). Voorts was zij niet betrokken bij de afspraken tussen TKS en [Montagebedrijf] en hoefde zij niet te vermoeden dat een Pools bedrijf zou worden ingeschakeld voor het verrichten van de werkzaamheden, aldus [appellante].

2.7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 29 oktober 2008 in zaak nr. 200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.

2.7.2. Uit de gestelde omstandigheden is niet gebleken dat [appellante] op enigerlei wijze heeft getracht de overtreding te voorkomen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid dan wel van een tot matiging van de opgelegde boete nopende, verminderde mate van verwijtbaarheid. Dat [appellante] gebruik heeft gemaakt van een erkende aannemer die een offerte tegen een marktconforme prijs heeft opgemaakt is hiervoor onvoldoende. Anders dan in voormelde uitspraak van 19 november 2008, is door [appellante] niet gesteld of uit het boeterapport gebleken dat [appellante] gecontroleerd heeft of het personeel van [Montagebedrijf] gerechtigd was om in Nederland arbeid te verrichten. [appellante] heeft zich juist herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat zij zich niet bemoeide met het bij [Montagebedrijf] in dienst zijnde personeel.

Dat [appellante] van de overtreding geen financieel voordeel heeft genoten omdat met gesloten beurzen is gewerkt, vormt, wat daar ook van zij, geen bijzondere omstandigheid die tot matiging van de opgelegde boete noopt, reeds omdat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding en de met de Wav beoogde doelstellingen. Dat zij nooit eerder met Poolse werknemers heeft gewerkt, geen bemoeienis met de vreemdelingen had en de vreemdelingen slechts twee dagen hebben gewerkt, zijn evenmin omstandigheden met een uitzonderlijk karakter die tot matiging aanleiding geven.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200705380/1) is in artikel 19a, tweede lid, van de Wav, zoals ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikellid volgt (Kamerstukken II 1993/94, 29 523, nr. 3, blz. 17), een cumulatiebepaling neergelegd. Het betoog van [appellante] dat artikel 4 van de beleidsregels als kennelijk onredelijk beleid dient te worden aangemerkt, treft derhalve evenmin doel, omdat de cumulatie uit de wet voortvloeit en de beleidsregel in zoverre geen zelfstandige betekenis heeft.

2.8. Met betrekking tot de boete op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wav, heeft [appellante] betoogd dat zij niet op de hoogte was van de omstandigheid dat [Montagebedrijf] Poolse arbeidskrachten had ingeschakeld. Zij heeft van [Montagebedrijf] geen documenten als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wav ontvangen, zodat haar niet kan worden verweten dat zij de identiteit van de vreemdelingen niet heeft vastgesteld en afschriften van de identiteitsdocumenten niet in haar administratie heeft opgenomen. Ook overigens had de boete moeten worden gematigd, aldus [appellante].

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak no. 200509111/1; AB 2006,133) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in het kader van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd.

Niet is gebleken dat [appellante] bij aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de vreemdelingen heeft gecontroleerd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. [appellante] heeft zich zelfs herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat zij zich niet bemoeide met het bij [Montagebedrijf] in dienst zijnde personeel. Dat [appellante] naar gesteld geen afschriften van de identiteitsdocumenten van de vreemdelingen heeft ontvangen, zodat zij deze niet kon opnemen in haar administratie en haar zodoende niets kan worden verweten, kan evenmin worden gevolgd. [appellante] heeft op dit punt immers in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid. Zij heeft ook op dit punt geen afspraken gemaakt met [Montagebedrijf], hoewel dit wegens de op haar rustende verplichting in het kader van de Wav de identiteit van de vreemdelingen vast te stellen wel van haar kon worden gevergd.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

32-532.