Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200808805/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Goirle (hierna: de raad ) bij besluit van 4 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "'t Ven-Hoogeind" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808805/1/R2.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMI Vastgoed B.V., gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Goirle (hierna: de raad ) bij besluit van 4 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "'t Ven-Hoogeind" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BMI Vastgoed B.V. (hierna: BMI) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2009, waar BMI, vertegenwoordigd door mr. drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, is verschenen. Voorts is de raad, vertegenwoordigd door J.L.R.E.M. Ludwig, ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het beroep van BMI richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" ter plaatse van het perceel op de hoek van de Kruisbaan en de Mortelstraat te Goirle (hierna: het perceel), voor zover in de planvoorschriften ter plaatse van het perceel slechts is voorzien in één woning per bouwvlak. BMI stelt dat de onder het voorheen geldende bestemmingsplan "'t Ven" (hierna: het voorheen geldende plan) opgenomen bouwmogelijkheid voor een tweede woning op het perceel ten onrechte in het huidige plan is weggelaten. Onder het voorheen geldende plan heeft BMI een bouwaanvraag ingediend voor het bouwen van een tweede woning op het perceel, waarop afwijzend is beslist. Tegen de in bezwaar gehandhaafde weigering om bouwvergunning te verlenen is beroep aanhangig. BMI verwacht na het doorlopen van de beroepsprocedure alsnog een bouwvergunning te verkrijgen en stelt zich op het standpunt dat de bouwmogelijkheid reeds hierom niet uit het plan had mogen worden weggelaten. Indien na afronding van de procedure inzake de bouwaanvraag zou blijken dat BMI alsnog over een bouwtitel voor een woning beschikt, zou deze ten onrechte onder het overgangsrecht van het plan komen te vallen, aldus BMI.

BMI is voorts van mening dat er geen stedenbouwkundige bezwaren bestaan tegen het oprichten van een tweede woning op het perceel, aangezien het perceel voldoende groot is om het te splitsen, zodat, evenals in de omgeving, twee ruime percelen overblijven.

2.2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een tweede woning op het perceel leidt tot een situatie waarin de woningen onevenredig dicht op elkaar staan en dat dit niet meer in de huidige stedenbouwkundige structuur van de omgeving past. Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat zij de lopende bezwaar- en beroepsprocedure inzake de geweigerde bouwvergunning voor een tweede woning niet bij de beoordeling van het plan hoefde te betrekken.

2.2.2. Niet in geschil is dat het voorheen geldende plan de mogelijkheid bood om een tweede woning op het perceel op te richten. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen echter in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

De Afdeling stelt vast dat er een aanzienlijke periode is verstreken tussen het vaststellen van het voorheen geldende bestemmingsplan in 1983 en het huidige plan, en dat gedurende deze tijd geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een tweede woning op te richten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat met het verstrijken van voornoemde periode de planologische inzichten dusdanig zijn gewijzigd dat het oprichten van een tweede woning ter plaatse in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiertoe overweegt de Afdeling dat het plan blijkens de plantoelichting de inmiddels ontstane feitelijke, legale situatie beoogt vast te leggen. Gelet op de reeds aanwezige bebouwingsstructuur die in de loop der jaren is ontstaan van vrijstaande woningen op ruime percelen met daartussen groen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze bebouwingsstructuur in de omgeving van het perceel wordt verstoord door het oprichten van een tweede woning op geringe afstand van de andere woningen.

2.2.3. Ten aanzien van de betekenis van het in procedure zijnde bouwplan voor de onderhavige procedure overweegt de Afdeling als volgt. Op het college rust de taak om het plan te beoordelen zoals dat door de raad is vastgesteld. Ten tijde van de vaststelling van het plan en de goedkeuring ervan door het college was geen bouwvergunning verleend, zodat in zoverre geen sprake was van een op dat moment bestaande bouwtitel waarvan gebruik kon worden gemaakt. Gelet hierop acht de Afdeling het standpunt van het college dat het bij de goedkeuring van het bestemmingsplan geen rekening hoefde te houden met een lopende procedure over een geweigerde bouwvergunning niet onjuist. De vraag of BMI onder het vorige planologische regime de gelegenheid had moeten krijgen om het bouwplan op ondergeschikte onderdelen aan te passen en of er dan nog grond was een bouwvergunning te weigeren, ligt in deze bestemmingsplanprocedure niet voor.

Door vooruitlopend op de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning het perceel te splitsen en de reeds aanwezige woning te verkopen terwijl een nieuw bestemmingsplan in procedure was, heeft BMI een risico genomen dat, naar het college in redelijkheid heeft gesteld, voor haar rekening dient te blijven. Voorts ziet de Afdeling niet in dat een eventueel alsnog te verkrijgen bouwvergunning onder het overgangsrecht zou vallen. Het bouwovergangsrecht van het plan ziet enkel op bouwvergunningen die bestonden ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van het plan. Daarvan is hier geen sprake.

2.2.4. De conclusie is dat hetgeen BMI heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

429-618.