Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1141

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200808213/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808213/1/H2.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 september 2008 in zaak nr. 07/7242 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2007 heeft de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage (hierna: de raad) een aanvraag van [appellante] om een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2007 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 september 2008, verzonden op 2 oktober 2008, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat te 's-Gravenhage, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien de daartoe strekkende aanvraag kennelijk van elke grond is ontbloot.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: het Brt) wordt rechtsbijstand als zijnde van elke grond ontbloot niet verleend indien de aanvraag betrekking heeft op een vordering of verweer waarvoor de rechtzoekende geen of een volstrekt ontoereikende grond verschaft.

2.2. De raad heeft aan de bij het besluit op bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om toevoeging voor een voorwaardelijke ontruimingsvordering ten grondslag gelegd dat juridische bijstand van een advocaat ten tijde van de aanvraag niet noodzakelijk was aangezien die toevoeging betrekking heeft op onderhandelingen over een door de eigenaar van het kraakpand aan bewoonster [appellante] aangeboden ingebruikgevingsovereenkomst. Een dergelijke kwestie kan en moet door rechtzoekende zelf worden opgelost. De aanvraag om toevoeging was prematuur aangezien de eigenaar op dat moment geen ontruimingsvordering had ingesteld, aldus de raad.

2.3. Anders dan [appellante] betoogt heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de raad de aanvraag om toevoeging op goede gronden heeft afgewezen. De werkzaamheden hebben betrekking op het onderhandelingsproces over een ingebruikgevingsovereenkomst en in dat stadium is geen sprake van een geschil waarbij rechtsbijstand van een advocaat noodzakelijk is. De raad heeft daarbij aansluiting kunnen zoeken bij de werkzaamheden met betrekking tot het aangaan van een huurovereenkomst, waarvoor geen toevoeging wordt verleend. De door [appellante] genoemde mate van bewerkelijkheid, omvang en gevoeligheid van het proces van onderhandeling doen daar niet aan af aangezien die kenmerken zich ook kunnen voordoen bij een huurovereenkomst. De mogelijke gevolgen van het mislukken van dit proces voor de rechtspositie van [appellante] in een daarop volgende procedure, waarop zij heeft gewezen, leiden evenmin tot een ander oordeel omdat dan sprake is van een andere situatie die opnieuw dient te worden bezien.

2.4. De rechtbank heeft, anders dan [appellante] aanvoert, voorts terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. [appellante] heeft met de door haar in bezwaar overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat de twee door haar genoemde afgegeven toevoegingen vergelijkbare gevallen betreffen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

18-609.