Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1137

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200801612/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oss (hierna: de raad) bij besluit van 21 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Vossehol".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200801612/1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Oss (hierna: de raad) bij besluit van 21 juni 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Vossehol".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2008, [appellant sub 2], [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B] en [appellant sub 2 C] (hierna: [appellant sub 2] en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 maart 2008, [appellant sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2008, en [appellant sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2008, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2009, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.F.M. van Erp, advocaat te Oss, [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M.J.C. Mol, werkzaam bij ZLTO te Tilburg, en [appellant sub 5], bijgestaan door ir. H. Wenting, werkzaam bij Lichtveld Buis & Partners te Nieuwegein, zijn verschenen. Voorts is de raad daar gehoord, vertegenwoordigd door mr. J.J. Witte en ir. A. Straathof.

2. Overwegingen

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.2. Het plan voorziet in een planologische regeling voor het deel van Berghem dat wordt begrensd door de spoorlijn 's-Hertogenbosch-Nijmegen aan de noordzijde, het industrieterrein Danenhoef aan de west- en zuidwestzijde, en de Willandstraat en de bebouwde kern van Berghem aan de zuidoost- en de oostzijde. Het plan heeft in hoge mate een conserverend karakter.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover het de bouwmogelijkheden betreft voor zijn perceel aan de [locatie 1]. Naar zijn mening is ten onrechte aan het grootste deel van zijn perceel een agrarische bestemming toegekend die woningbouw uitsluit, nu hij volgens een met de gemeente gesloten overeenkomst zijn gehele perceel voor woningbouw zou mogen gebruiken. Het college heeft ten onrechte deze overeenkomst buiten beschouwing gelaten en daarbij betekenis toegekend aan de notitie van de raad getiteld "Verzoeken en toezeggingen bestemmingsplan Vossenbosstraat" uit oktober 2001, aldus [appellant sub 1]. Aangezien verder volgens hem bij de raad het voornemen bestaat om het gebied op een later moment alsnog te bebouwen, is er naar zijn mening geen reden waarom niet nu al een woonbestemming op het gehele perceel zou kunnen worden gelegd. Verder voert hij aan dat ten onrechte geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van de bouw van een woning ten noorden van de woning die zich nu al op het perceel bevindt, nadat de schuur die zich nu nog op die plaats bevindt zal zijn afgebroken.

Met betrekking tot de wel in het plan opgenomen bouwkavel ten behoeve van een tweede woning direct ten zuiden van de reeds bestaande woning, voert [appellant sub 1] aan dat de desbetreffende kavel te dicht bij de weg, de bestaande woning en het daar aanwezige elektriciteitshuisje staat.

[appellant sub 1] betoogt verder dat het college ten onrechte geen alternatieven voor de in het plan vastgelegde wijze van inrichting heeft onderzocht en aldus niet is uitgegaan van een samenhangende visie.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat de vraag of de gemeente Oss de overeenkomst die [appellant sub 1] met haar heeft gesloten al dan niet is nagekomen in de procedure met betrekking tot goedkeuring van het plan niet aan de orde kan komen, aangezien daarin alleen de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan ter beoordeling staat. Volgens het college is het plan voor zover dat betrekking heeft op het perceel van [appellant sub 1] in overeenstemming met het provinciaal en gemeentelijk beleid, waarbij het wijst op de notitie "Verzoeken en toezeggingen bestemmingsplan Vossenbosstraat" uit oktober 2001, die de visie van het gemeentebestuur op het plangebied weergeeft.

2.5. De raad stelt zich op het standpunt dat de met [appellant sub 1] gesloten overeenkomst betrekking had op de mogelijkheid naast de al bestaande woning één extra woning op zijn perceel op te richten. Daarnaast voorziet de overeenkomst erin dat de in het vorige plan opgenomen agrarische bestemming zal komen te vervallen, aldus de raad. Nu het thans voorliggende plan de mogelijkheid biedt voor het oprichten van een tweede woning en ten opzichte van het voorgaande plan het agrarisch bouwblok is verdwenen, is volgens de raad aan de overeenkomst voldaan. Het achter de huiskavel gelegen gedeelte van het perceel heeft een onbebouwde agrarische bestemming gekregen overeenkomstig de bedoeling van de overeenkomst en de uitgangspunten van het plan, waarbij in het bijzonder de wens een rol speelt in het gebied een groene zone in stand te houden. Het mogelijk maken door middel van een wijzigingsbevoegdheid van een tweede extra woning is volgens de raad ruimtelijk en planologisch onwenselijk. Verder zou de door [appellant sub 1] voorgestelde verplaatsing van het bouwvlak voor de nieuwe woning ten zuiden van de bestaande woning ertoe leiden dat de voorgrens van dat bouwvlak komt te liggen ter hoogte van de achtergevel van de bij de bestaande woning behorende stal. Dit zou tot gevolg hebben dat de nieuwe woning ruimtelijk geen onderdeel vormt van het bestaande bebouwingslint, wat niet verenigbaar is met de uitgangspunten van het plan, aldus de raad.

2.6. Op 10 maart 2004 is een overeenkomst tot stand gekomen tussen enerzijds [appellant sub 1] en zijn echtgenote en anderzijds de gemeente Oss, vertegenwoordigd door de burgemeester. De inhoudelijke bepalingen van deze overeenkomst, later vastgelegd in een notariële akte, luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

"3. de gemeente Oss verplicht zich om, voor zover in haar vermogen ligt en van haar afhangt, de stedenbouwkundige belemmeringen weg te nemen voor de bouw van een woning op het bij [appellant sub 1] verblijvende perceel aan de [locatie 1], kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nummer […];

4. [appellant sub 1] zal voor de stallen en schuren welke staan achter zijn woonhuis [locatie 1] te [plaats] voor zijn rekening sloopvergunning aanvragen en slopen en verwijderen zodra de onder 3 van deze overeenkomst genoemde bouwvergunning is verleend, met uitzondering van het woonhuis met aangebouwd achterhuis en de damwandloods met aangebouwde schuurtjes. De sloop dient te zijn afgerond 6 maanden na afgifte van de bouwvergunning.

[…]

6. de gemeente draagt er zorg voor, en [appellant sub 1] stemt ermee in dat via een partiële herziening van het bestemmingsplan ter plaatse van [locatie 1] dan wel bij de eerstvolgende integrale herziening van dit bestemmingsplan, aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Woondoeleinden" (met de aanduiding voormalige agrarische bedrijfswoning) wordt toegekend. Bij deze bestemmingsplanwijziging zal de huidige agrarische bestemming van het perceel komen te vervallen; […]".

2.7. De Afdeling stelt voorop dat beantwoording van de vraag of de gemeente al dan niet heeft voldaan aan de ingevolge de overeenkomst van 10 maart 2004 op haar rustende verplichtingen is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en als zodanig in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dat neemt evenwel niet weg dat, nu [appellant sub 1] aanvoert dat de raad bij het toekennen van een agrarische bestemming aan een deel van zijn perceel ten onrechte aan de overeenkomst is voorbijgegaan, deze aan de orde kan komen bij de beantwoording van de vraag of aan de eisen van het hiervoor onder 2.1. weergegeven toetsingskader is voldaan.

2.7.1. De Afdeling stelt vast dat in onderdeel 6 van de overeenkomst is vastgelegd dat aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Woondoeleinden" zal worden toegekend, waarbij voorts is vastgelegd dat de agrarische bestemming van het perceel zal komen te vervallen. In tegenstelling tot onderdeel 3 van de overeenkomst, dat betrekking heeft op de mogelijkheid van de bouw van een extra woning en dat uitdrukkelijk slechts betrekking heeft op het perceelsgedeelte met kadastraal nummer […] ten zuiden van de reeds bestaande woning, bevat onderdeel 6 geen nadere omschrijving van de gronden waarop wordt gedoeld met de term "het perceel [locatie 1]", zodat de, volgens de raad beoogde, beperking tot een deel van die gronden uit dit onderdeel niet zonder meer kan worden afgeleid. Het ter zitting namens de raad naar voren gebrachte standpunt dat een redelijke uitleg van dit onderdeel, bezien in het licht van de voorgeschiedenis en de bedoeling van de overeenkomst, met zich brengt dat de overeenkomst op dit punt slechts betrekking heeft op het verlenen van medewerking aan de bouw van één woning naast de al bestaande, kan de Afdeling niet onderschrijven, nu de raad de ter zitting door de Afdeling gestelde vragen omtrent de voorgeschiedenis van de overeenkomst en de wijze waarop daaruit de bedoeling van de overeenkomst zou kunnen blijken niet op bevredigende wijze heeft beantwoord.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom aan de gronden van [appellant sub 1] gelegen aan de [locatie 1] in het plan slechts ten dele de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen" en voor het overige de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd" is toegekend.

2.7.2. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de raad het voornemen bestaat op een later moment alsnog over te gaan tot bebouwing van het desbetreffende gebied. Verder kan het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.7.3. Volgens de plankaart bedraagt de afstand van de grens van het bouwvlak voor de nieuw te bouwen woning ten zuiden van de bestaande woning tot de rijbaan van de Zevenbergseweg ongeveer twaalf meter. Mede gezien de afstand tot de Zevenbergseweg van de overige aan die weg gelegen woningen alsmede het aan het plan ten grondslag liggende uitgangspunt dat de historische bebouwingslinten zo veel mogelijk behouden moeten blijven, heeft het college zich, in navolging van de raad, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ligging van het bouwvlak uit planologisch oogpunt aanvaardbaar is. Dat een verplaatsing naar achteren ertoe zou leiden dat ruimte beschikbaar komt voor aanpassing van de weg ter plaatse doet daaraan niet af, nu van concrete voornemens bij de raad voor een dergelijke aanpassing in de nabije toekomst niet is gebleken. Ook met betrekking tot de afstanden tussen de grens van het bouwvlak en de bestaande woning en tussen die grens en het ter plaatse aanwezige elektriciteitshuisje, welke afstanden volgens de plankaart beide ongeveer vijf meter bedragen, ziet de Afdeling, mede in aanmerking genomen de afstanden tussen de overige aan de Zevenbergseweg gelegen woningen onderling, in hetgeen [appellant sub 1] daarover heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.7.4. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gewenste wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een tweede nieuwe woning overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de toelichting bij het plan heeft dit een in hoofdzaak conserverend karakter, waarbij behoud van de historische bebouwingslinten met vrijstaande bebouwing op grote percelen een van de uitgangspunten vormt. Uitzonderingen kunnen zich volgens de toelichting voordoen waar met de woonfunctie conflicterende functies, zoals agrarische bedrijvigheid, binnen het plangebied worden beëindigd, wat in een aantal gevallen wordt mogelijk gemaakt door woningbouwmogelijkheden op te nemen ter plaatse van de voormalige bedrijfsbebouwing. Uit de stukken blijkt dat de in het plan opgenomen mogelijkheid voor de bouw van een nieuwe woning ten zuiden van de reeds bestaande woning verband houdt met de beëindiging van het bedrijf van [appellant sub 1]. Het standpunt van de raad dat die omstandigheid een uitzondering op het conserverende karakter rechtvaardigt, maar dat toevoeging van een tweede nieuwe woning, ten noorden van de bestaande woning, vanuit planologisch oogpunt bezien niet wenselijk is, acht de Afdeling niet onredelijk. Het college heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.7.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover het betrekking heeft op de toekenning in het plan van de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd" in plaats van de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen" aan een deel van de gronden gelegen aan de [locatie 1]. Het beroep van [appellant sub 1] is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hetgeen overigens door [appellant sub 1] is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is voor het overige ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5]

Bestemming terrein achter [locatie 2 en 3] voor bedrijfsdoeleinden

2.8. De beroepen van [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] richten zich onder meer tegen de bij het bestreden besluit verleende goedkeuring voor zover die betrekking heeft op de bestemming van het terrein en de loodsen gelegen achter het perceel [locatie 2] voor bedrijfsdoeleinden, en meer in het bijzonder voor zover op het met "Bc" aangeduide deel van dat terrein de bouw van carnavalswagens is toegestaan.

2.9. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt voor de vestiging van bedrijvigheid die valt onder categorie 1 of categorie 2 van de bij de planvoorschriften opgenomen milieuzoneringslijst op een of meer gedeelten van de gronden gelegen achter de percelen [locatie 2 en 3].

[appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren aan dat de bouw van carnavalswagens moet worden aangemerkt als activiteit die, voor zover het de gevolgen voor de omgeving betreft, vergelijkbaar is met activiteiten die in de milieuzoneringslijst worden gerekend tot categorie 3. Naar hun mening horen dergelijke activiteiten niet thuis in het plangebied, dat overwegend een woonfunctie heeft. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen verder dat het plan ten onrechte voorziet in de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om vrijstelling te verlenen ten behoeve van vestiging ter plaatse van bedrijven die vallen onder categorie 3 van de milieuzoneringslijst.

[appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] vrezen voorts dat het aantal groepen bouwers van carnavalswagens verder zal worden uitgebreid tot ten minste twaalf, wat volgens hen zou leiden tot uitbreiding van de bouwactiviteiten in en om de loodsen en mogelijk tot uitbreiding van de loodsen zelf.

2.9.1. Het college heeft de mogelijkheid die het plan biedt tot vestiging van activiteiten vallend onder categorie 1 of categorie 2 van de milieuzoneringslijst uit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar geacht, waarbij het heeft verwezen naar het beleid van de raad dat erop gericht is dergelijke activiteiten toe te laten in een woonomgeving. De bevoegdheid om vrijstelling te verlenen voor categorie 3-bedrijven acht het college eveneens aanvaardbaar, aangezien verlening van vrijstelling ingevolge het plan slechts is toegestaan indien een dergelijke verlening niet leidt tot nadeliger gevolgen voor de omgeving. Het college stelt zich, in navolging van de raad, voorts op het standpunt dat uitbreiding van het aantal groepen dat van het terrein gebruik maakt niet mogelijk is, omdat alleen de voorste, dichte loodsen beschikbaar zijn voor het bouwen van de wagens. De achterste, open loodsen zijn nodig voor de opslag van wagens en materialen, aldus het college, en zullen daarom niet voor de bouwactiviteiten kunnen worden gebruikt.

2.9.2. Ten aanzien van de mogelijkheid om de gronden gelegen achter de percelen [locatie 2] te gebruiken voor activiteiten die vallen onder milieucategorieën 1 en 2 van de milieuzoneringslijst, overweegt de Afdeling dat te verwachten is dat van dergelijke activiteiten enige hinder kan ontstaan voor de in de nabijheid daarvan gelegen woningen, maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat die hinder in dit geval zodanig zal zijn dat het college daarin aanleiding heeft moeten zien het plan in zoverre niet goed te keuren. Daarbij is van belang dat volgens de milieuzoneringslijst voor activiteiten behorend tot categorie 1 in beginsel een afstand van 10 meter moet worden aangehouden tot woonbebouwing en voor activiteiten behorend tot categorie 2 een afstand van 30 meter. De woningen van [appellant sub 2] en anderen bevinden zich op ten minste ongeveer 75 meter van de loodsen en ten minste ongeveer 45 meter van de bedrijfsbebouwing achter [locatie 3], zodat voor deze woningen aan deze afstanden wordt voldaan.

Ter zitting is vastgesteld dat het beroep van [appellant sub 4] zich, voor zover het dit punt betreft, slechts richt tegen de bestemming voor bedrijfsdoeleinden voor zover deze betrekking heeft op de ter plaatse aanwezige loodsen en het onmiddellijk daaraan grenzende deel van het terrein, dat op de plankaart is aangeduid met "Bc". Hoewel volgens de plankaart de kortste afstand tussen de loodsen en de woning van [appellant sub 4] ongeveer 27 meter bedraagt en daarmee niet aan de richtafstand van 30 meter, opgenomen in de bij het plan behorende zoneringslijst, wordt voldaan, heeft het college, in navolging van de raad, zich naar het oordeel van de Afdeling in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming voor bedrijfsdoeleinden ter plaatse toelaatbaar was. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat de in de zoneringslijst weergegeven afstanden richtafstanden zijn die geen onverkort bindend karakter hebben, en dat deze afstanden zijn ontleend aan de afstanden genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten, waarin zij betrekking hebben op een omgeving die kan worden aangemerkt als "rustige woonwijk". De directe omgeving van de loodsen in het plangebied kan niet als "rustige woonwijk" worden aangemerkt, zodat een geringe afwijking van de richtafstand van 30 meter aanvaardbaar kan worden geacht.

Het beroep van [appellant sub 5] richt zich niet tegen de bedrijfsbestemming als zodanig, maar slechts tegen de mogelijkheid voor de bouw van carnavalswagens op het met "Bc" aangeduide deel van het terrein. Zijn woning bevindt zich volgens de plankaart op ongeveer 40 meter van de grens met dat deel van het terrein, zodat ten aanzien daarvan aan de in de zoneringslijst genoemde afstanden wordt voldaan.

2.9.3. Ten aanzien van de stelling dat de bouw van carnavalswagens moet worden aangemerkt als activiteit vallende onder categorie 3 van de milieuzoneringslijst, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften de bouw van carnavalswagens slechts is toegestaan voor zover die activiteit naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met activiteiten die vallen onder categorieën 1 en 2 van die lijst. Voor zover de bouw van carnavalswagens ter plaatse een grotere invloed op de omgeving zou hebben, is een dergelijke activiteit derhalve, behoudens vrijstelling, op grond van het plan niet toegestaan. Een dergelijke vrijstelling ten behoeve van categorie 3-activiteiten kan eveneens ingevolge artikel 5.5, aanhef en onder b, van de planvoorschriften alleen worden verleend als het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving kan worden gelijkgesteld met de volgens het plan toegestane categorieën, zodat verlening van vrijstelling is uitgesloten voor zover die een activiteit zou betreffen met ingrijpender gevolgen voor de omgeving. Overigens staan tegen een eventueel besluit om een dergelijke vrijstelling te verlenen afzonderlijk rechtsmiddelen open.

Met betrekking tot de mogelijke vestiging van een groter aantal groepen bouwers van carnavalswagens op het terrein stelt de Afdeling vast dat het gehele terrein, de twee achterste, open loodsen daaronder begrepen, in het plan is aangeduid als gebied waar de bouw van carnavalswagens is toegelaten, zodat er ingevolge het plan geen belemmeringen zijn voor het gebruik van deze achterste loodsen voor bouwactiviteiten. Daaraan doet niet af dat, zoals het college in navolging van de raad heeft gesteld, de achterste loodsen en het direct aangrenzende terrein mogelijk zullen worden gebruikt voor opslag van wagens en materialen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat deze loodsen gedurende de gehele periode waarin de bouwactiviteiten plaatsvinden in hun geheel voor opslag nodig zullen zijn. Derhalve is niet uitgesloten dat, behalve in de voorste, dichte loods, gelijktijdig ook in de achterste twee loodsen, of in een gedeelte daarvan, bouwactiviteiten kunnen worden uitgeoefend. Gelet daarop is naar het oordeel van de Afdeling in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom uitbreiding van het aantal groepen dat gelijktijdig van het met "Bc" aangeduide terrein gebruik zal kunnen maken niet mogelijk is.

2.10. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren aan dat gebruik van de loodsen voor de bouw van carnavalswagens, in combinatie met andere voorziene ontwikkelingen in de omgeving, zal leiden tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen dat verkeershinder, parkeeroverlast en verkeersonveilige situaties te verwachten zijn. Volgens hen is bij de vaststelling van het plan uitgegaan van verkeerde gebruikers- en bezoekersaantallen.

2.10.1. Niet in geschil is dat het terrein waarop de loodsen zich bevinden thans ruimte biedt voor het parkeren van ongeveer vijftien tot twintig auto's. Ter zitting is van de zijde van de raad te kennen gegeven dat de beschikbare parkeerruimte voor de meeste dagen waarop bouwactiviteiten plaatsvinden op het terrein voldoende is, maar dat niet kan worden uitgesloten dat op bepaalde piekdagen de parkeerruimte op eigen terrein niet toereikend is, hetgeen tot parkeeroverlast kan leiden.

Volgens de bij het plan behorende toelichting sluit parkeren langs de rijbaan van de Zevenbergseweg en de Willandstraat niet aan bij de stroomfunctie die deze wegen hebben, terwijl in de straat Vossehol geen ruimte is voor het opnemen van parkeergelegenheid in het profiel. Nu aan en langs de openbare weg in de directe omgeving van het terrein vrijwel geen openbare parkeergelegenheid bestaat, en nu in het bijzonder, zoals hiervoor onder 2.9.3. werd overwogen, niet kan worden uitgesloten dat het aantal groepen dat gelijktijdig van het terrein en de loodsen gebruikmaakt zal toenemen, acht de Afdeling het standpunt van het college dat de in het plan opgenomen regeling van de parkeervoorzieningen aanvaardbaar is niet deugdelijk gemotiveerd.

Met betrekking tot de gestelde toename van de verkeersintensiteit op de Zevenbergseweg als gevolg van de aanleg van de wijk Piekenhoef en verschillende andere door [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] genoemde ontwikkelingen, overweegt de Afdeling dat het hier ontwikkelingen betreft die niet door het voorliggende plan worden mogelijk gemaakt, zodat hetgeen daarover is aangevoerd, wat daar overigens van zij, in deze procedure geen doorslaggevende rol kan spelen.

2.11. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 5] voeren voorts aan dat het gebruik van de loods voor de bouw van carnavalswagens zal leiden tot verhoogd brandgevaar, geluidsoverlast en luchtverontreiniging. Daarnaast zullen volgens hen onveilige situaties ontstaan doordat de enige toegangsweg tot het terrein te smal is om bij calamiteiten adequate ontruiming en hulpverlening mogelijk te maken.

2.11.1. De Afdeling verwijst naar hetgeen hiervoor onder 2.9.2 werd overwogen ten aanzien van de mogelijkheid tot vestiging van categorie 1- en categorie 2-activiteiten op het terrein. Het standpunt van de raad, in zoverre overgenomen door het college, dat de bouw van carnavalswagens qua gevolgen voor de leefomgeving vergelijkbaar is met activiteiten uit categorie 2 van de milieuzoneringslijst, acht de Afdeling niet onjuist, nu onder meer bedrijven voor reparatie en onderhoud van auto's en motorfietsen tot die categorie worden gerekend. Dat in andere bestemmingsplannen in andere gemeenten de bouw van carnavalswagens is aangemerkt als behorend tot een andere categorie, zoals [appellant sub 5] stelt, wat daar overigens van zij, maakt dat niet anders. Verder is van belang dat de bouw van carnavalswagens naar haar aard een activiteit is die slechts gedurende een beperkt deel van het jaar plaatsvindt. Overigens zal het gebruik van het terrein en de loodsen, zoals de raad heeft aangegeven, in overeenstemming dienen te zijn met de bij of krachtens het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer gegeven voorschriften. Tegen overtreding daarvan kan in voorkomend geval door het college van burgemeester en wethouders handhavend worden opgetreden.

Voorts is ter zitting namens de raad, in zoverre onweersproken, opgemerkt dat de brandweer, die bekend is met de situatie op het terrein en in de loodsen, geen bezwaar heeft tegen het gebruik daarvan dat in het plan wordt mogelijk gemaakt. De door de brandweer gegeven aanwijzingen ten behoeve van de veiligheid zijn gevolgd, aldus de raad. Verder heeft volgens de raad een oefening plaatsgevonden met de betrokken hulpdiensten, waarbij is vastgesteld dat het terrein en de loodsen in geval van calamiteiten goed te bereiken zijn.

2.12. [appellant sub 3] voert aan dat de opslag van carnavalswagens onder de open loodsen aan de achterzijde van het bedrijfsterrein achter [locatie 2], dat grenst aan zijn perceel, voor hem storend is omdat er onvoldoende afscherming is aangebracht tussen de beide percelen.

2.12.1. De Afdeling overweegt dat de betrokken loodsen zich volgens de plankaart bevinden op een afstand van ongeveer 90 meter achter de woning van [appellant sub 3], en dat het zicht op de loodsen en de eventueel daaronder staande wagens vanuit zijn woning in belangrijke mate wordt beperkt door de zich daarvoor bevindende bebouwing en het aanwezige groen. Gelet hierop heeft het college in hetgeen is aangevoerd omtrent de afscherming van de bedoelde loodsen geen aanleiding hoeven zien in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

Overige beroepsgronden

2.13. [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 4] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een totaaloppervlak van ten hoogste 100 m2 aan bijgebouwen op hun percelen. Volgens [appellant sub 2] en anderen is dit maximum te gering om bij uitbraak van dierziekten de aanwezige dieren op last van de overheid te kunnen insluiten in hun verblijven. Volgens [appellant sub 4] bestaat behoefte aan extra bijgebouwen dichter bij zijn woning dan de al op zijn terrein aanwezige schuur, die op 35 meter van zijn woning staat. Zowel [appellant sub 2] en anderen als [appellant sub 4] wijzen erop dat op het perceel [locatie 4], eveneens in het plangebied, bijgebouwen zijn toegestaan tot een maximum van 230 m2.

2.13.1. Ingevolge artikel 4.2.4 van de planvoorschriften mag de gezamenlijke oppervlakte van de hoofdgebouwen, de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen per bouwperceel niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen buiten het op de plankaart aangegeven bouwvlak niet meer dan 100 m2 mag bedragen. In afwijking daarvan mag op het perceel met de aanduiding "afwijkend oppervlakte bijgebouwen" de gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen maximaal 230 m2 bedragen. Deze aanduiding is op de plankaart alleen aangebracht op het perceel [locatie 4]. Het tot voor kort op dat perceel gevestigde landbouwmechanisatiebedrijf is, aldus de raad in haar beantwoording van de zienswijzen, uitgekocht en verplaatst naar een industrieterrein.

Gezien het feit dat, zoals in de toelichting is aangegeven, het plan hoofdzakelijk conserverend van aard is, acht de Afdeling het standpunt van het college, dat een maximum van 100 m2 aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak voor woningen in dit plangebied aanvaardbaar is, niet onredelijk. Voorts heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met betrekking tot het perceel [locatie 4] een afwijkende oppervlakte voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen van 230 m2 aanvaardbaar is. Daarbij is van belang dat, zoals de raad heeft overwogen bij de bespreking van de ingediende zienswijzen, deze afwijking van de maatvoering voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen dient ter compensatie voor de sloop van de bedrijfshal die behoorde bij het voorheen op dat perceel gevestigde landbouwmechanisatiebedrijf. De verplaatsing van een dergelijk bedrijf van een omgeving met in hoofdzaak een woonfunctie naar een industrieterrein en de verwijdering van een grotendeels in open gebied gelegen bedrijfshal zullen leiden tot een verbetering van de milieu- en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

2.14. [appellant sub 4] voert aan dat het plan onvoldoende voorziet in landschappelijke inpassing van de achter het perceel [locatie 2] gelegen loodsen. De in het plan opgenomen groenstrook is naar zijn mening te smal om de bebouwing af te schermen, zeker indien de loodsen aan de achterzijde zullen worden vervangen door bouwwerken van grotere omvang. [appellant sub 5] betoogt dat een deel van de thans aanwezige groensingel die de bebouwing afschermt vanaf de Zevenbergseweg in het plan ten onrechte niet de bestemming "Groendoeleinden" heeft gekregen. Volgens hem voorzag het vorige bestemmingsplan in een langere groensingel.

2.14.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de breedte van de groenstrook aan de noordzijde van het bedrijfsterrein achter het perceel [locatie 2], zoals die in het plan is opgenomen, overeenstemt met de breedte zoals opgenomen in het voorheen geldende plan. Voorts is van belang dat voor de op dat terrein aanwezige bebouwing op grond van het vorige plan een goothoogte van 4 en een nokhoogte van 7 meter was toegestaan, wat overeenkomt met de regeling in het nu voorliggende plan. Vergroting van het bebouwde oppervlak is niet mogelijk, gelet op artikel 5.2.1 onder c van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat het ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande bebouwingsoppervlak niet mag worden vergroot.

Niet in geschil is voorts dat een deel van de groensingel, waarin het voorheen geldende bestemmingsplan "Vossenbosstraat herziening 1991-1", aan de zuidzijde van het terrein achter het perceel [locatie 2] voorzag, in het nu voorliggende plan niet is opgenomen. Namens de raad is ter zitting gesteld dat bij het leggen van een groenbestemming aan de zuidzijde van het terrein is aangesloten bij de feitelijke situatie en voorts dat het gaat om een beukenhaag met een breedte van minder dan een meter, wat wordt bevestigd door de door [appellant sub 5] overgelegde foto's. Mede gezien de beperkte breedte van de haag en het gegeven dat, door de aanwezige bebouwing, het zicht vanaf de Zevenbergseweg op de loodsen al grotendeels wordt beperkt, heeft het college zich, in zoverre in navolging van de raad, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat planologische bescherming van dit deel van de groensingel geen meerwaarde biedt.

2.15. [appellant sub 4] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid van verschuiving van de voorgevelrooilijn van zijn woning met 1,60 meter in de richting van de Zevenbergseweg. Hij wijst erop dat zijn woning verder van de weg af ligt dan de andere woningen aan dezelfde kant van de weg in dezelfde rij. Verder is het ontbreken van deze mogelijkheid volgens hem niet verenigbaar met de weigering van de raad medewerking te verlenen aan het verzoek van de eigenaar van een verderop aan dezelfde weg te bouwen woning om deze verder van de weg te mogen plaatsen.

[appellant sub 4] betoogt verder dat aan de op zijn perceel staande schuur ten onrechte geen bestemming is toegekend die bedrijfsactiviteiten toelaat. Aangezien het naastgelegen perceel ook een bedrijfsbestemming kent zal toekenning van een dergelijke bestemming aan zijn schuur, anders dan de raad stelt, naar zijn mening niet leiden tot het ontstaan van een solitaire nieuwe bedrijfsbestemming. Hij wijst er voorts op dat zowel in het bestemmingsplan "Piekenhoef", dat betrekking heeft op een gebied op 100 meter afstand van zijn woning, als op percelen gelegen verderop aan de Zevenbergseweg een bedrijfsbestemming nabij woonbebouwing wel mogelijk wordt gemaakt.

2.15.1. De Afdeling overweegt dat, naar uit de bij het plan behorende toelichting blijkt, dit een overwegend conserverend karakter heeft, waarbij behoud van de bestaande ruimtelijke karakteristiek een van de uitgangspunten vormt. Met dat uitgangspunt is in overeenstemming dat in het plan, evenals in het vorige plan, de voorgevelrooilijn voor de woning van [appellant sub 4] is gelegd op de thans bestaande voorgevel. Dat de woning van [appellant sub 4] in vergelijking met andere woningen ter plaatse betrekkelijk ver van de weg af ligt maakt dat niet anders. Ook de omstandigheid dat de raad geen medewerking heeft willen verlenen aan de verplaatsing naar achteren van een woning elders aan de Zevenbergseweg leidt niet tot een ander oordeel, nu het daarbij, naar uit de stukken blijkt, gaat om een bouwvlak voor een nieuw te bouwen woning en de gevraagde verplaatsing tot gevolg zou hebben dat de desbetreffende woning buiten het langs de Zevenbergseweg bestaande historische bebouwingslint zou worden geplaatst. Overigens blijkt uit de stukken eveneens dat [appellant sub 4] beschikt over een bouwvergunning voor het plaatsen van een uitbouw van 1,60 meter aan de voorzijde van zijn woning.

Het niet toekennen van een bedrijfsbestemming aan de op het perceel van [appellant sub 4] aanwezige schuur is in overeenstemming met het juist weergegeven uitgangspunt dat het plan een overwegend conserverend karakter heeft, en met het beleid van de raad dat, naar deze heeft aangegeven bij de bespreking van de door [appellant sub 4] ingediende zienswijze, erop is gericht geen nieuwe op zichzelf gelegen bedrijfsterreinen toe te staan. Het gegeven dat op het naastgelegen perceel bedrijfsactiviteiten wel zijn toegestaan maakt dat niet anders, nu beoogd is met de daarop gelegde bestemming aan te sluiten bij de feitelijke situatie ter plaatse en bij de onder het vorige plan bestaande bestemming "ambachtelijke doeleinden". De overige door [appellant sub 4] bedoelde situaties hebben geen betrekking op het plangebied. Om die reden kan daaraan in deze procedure geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de hiervoor bedoelde uitgangspunten met betrekking tot de woning van [appellant sub 4] niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen, zodat het college hierin geen aanleiding heeft hoeven zien in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.16. [appellant sub 5] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid van de bouw op het achter zijn woning gelegen perceel van een bedrijfswoning, behorende bij de daar gevestigde bedrijfsruimte waarvan hij eigenaar is. Hij wijst op verscheidene woningen en andere gebouwen aan de Zevenbergseweg die geen onderdeel uitmaken van een bebouwingslint, zodat hierin, anders dan de raad meent, volgens hem geen afdoende reden kan zijn gelegen om de bouw van een bedrijfswoning ter plaatse niet toe te staan. Verder voert hij aan dat de woning in de plaats zou komen van het bestaande kantoor, zodat de omvang van de bebouwing niet wordt vergroot.

2.16.1. Zoals hiervoor overwogen heeft het plan een in hoofdzaak conserverend karakter, waarbij behoud van de historische bebouwingslinten een van de uitgangspunten vormt. Anders dan [appellant sub 5] stelt blijkt noch uit de door hem overgelegde luchtfoto, noch uit de overige stukken dat de door hem gewenste situatie, waarin een woning is voorzien achter een in het bebouwingslint staande woning en vrijstaand van die woning, op een afstand van de weg vergelijkbaar met de afstand waarop de door hem gewenste woning zou komen te staan, zich elders in het plangebied voordoet. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad ten aanzien van het perceel van [appellant sub 5] het juistgenoemde uitgangspunt niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het college heeft hierin derhalve geen aanleiding hoeven zien in zoverre aan het plan goedkeuring te onthouden.

2.17. [appellant sub 5] betoogt dat het maximale bebouwingspercentage van 40, dat ingevolge het plan geldt voor het eerste achter zijn woning gelegen bedrijfsterrein, te beperkt is en in de weg staat aan de door hem gewenste uitbreiding van zijn bedrijf. Verder is het op zijn perceel gelegde bouwvlak naar zijn mening te beperkt. Vergroting van het bouwvlak, zodanig dat de grens ervan aan de noordzijde in het verlengde van de daarachter gelegen loodsen komt te liggen, zou volgens hem ruimtelijk een beter aanzien geven.

2.17.1. Zoals de raad bij de bespreking van de door [appellant sub 5] naar voren gebrachte zienswijze heeft te kennen gegeven, is met het op het perceel gelegde bouwvlak en het maximale bebouwingspercentage van 40 beoogd aan te sluiten bij de bestaande situatie. Gezien de geringe afstand tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing, gelegen op het perceel [locatie 5], alsmede het meergenoemd aan het plan ten grondslag liggend uitgangspunt dat inhoudt dat dit in hoofdzaak een conserverend karakter heeft, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat uitbreiding van het bouwvlak en het bebouwingspercentage op het perceel niet wenselijk is, waarbij het college zich in zoverre heeft aangesloten, niet onredelijk. Daarbij betrekt de Afdeling dat, naar de raad heeft aangegeven in reactie op de door [appellant sub 5] ingediende bedenkingen, het ingevolge het plan voor zijn perceel geldende bouwvlak en bebouwingspercentage nog ruimte laten voor enige uitbreiding van de bebouwing.

2.18. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan voor zover het het achterste gedeelte van hun perceel betreft ten onrechte voorziet in een agrarische bestemming in plaats van de bestemming "Woondoeleinden woonhuizen". [appellant sub 3] betoogt dat in het plan ten onrechte slechts een klein deel van de op zijn terrein aanwezige gebouwen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" heeft gekregen, terwijl het naastgelegen bedrijfsterrein achter het perceel [locatie 2] geheel voor "Bedrijfsdoeleinden" is bestemd. Zowel [appellant sub 2] en anderen als [appellant sub 3] wijzen erop dat de betrokken grond al langere tijd niet meer voor agrarische doeleinden worden gebruikt, zodat een agrarische bestemming niet in de rede ligt.

2.18.1. Bij het vaststellen van de bestemmingen voor de betrokken percelen heeft de raad in beginsel beoogd aan te sluiten bij de voordien bestaande planologische mogelijkheden, met de bedoeling de bestaande ruimtelijke en functionele karakteristiek van het gebied te handhaven. Niet in geschil is dat de betrokken gronden thans in overwegende mate een groen karakter hebben zonder bebouwing, en dat zij mede worden gebruikt voor het hobbymatig houden van dieren. Gelet hierop, en gezien het feit dat het college in het bestreden besluit heeft overwogen dat de bestemming "Agrarische grond onbebouwd" het hobbymatig houden van dieren niet in de weg staat, acht de Afdeling het standpunt van het college dat deze bestemming voor de betrokken perceelsgedeelten aanvaardbaar is niet onredelijk. Voorts is ter zitting gebleken dat de op het perceel van [appellant sub 3] aanwezige gebouwen die gebruikt worden ten behoeve van de daar gevestigde meubelmakerij alle binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" zijn gebracht, zodat in het plan ook op dit punt is aangesloten bij het thans feitelijk bestaande gebruik. Met de bedrijfsbestemming op het naastgelegen perceel achter [locatie 2] is, zoals namens de raad is betoogd, eveneens beoogd aan te sluiten bij de feitelijk bestaande situatie, alsmede bij de reeds onder het vorige plan bestaande planologische mogelijkheden.

Conclusie

2.19. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "c - carnavalsbouwloodsen toegestaan", die betrekking heeft op de gronden bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden" gelegen achter het perceel [locatie 2] te [plaats]. De beroepen zijn op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hetgeen overigens door [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.20. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] dient het college op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 28 januari 2008, kenmerk 1311832,

1. voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden onbebouwd" dat betrekking heeft op de gronden gelegen aan de [locatie 1] te [plaats], zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1, alsmede

2. voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding "c - carnavalsbouwloodsen toegestaan", die betrekking heeft op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" gelegen achter het perceel [locatie 2] te [plaats];

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

- aan [appellant sub 1] een bedrag van € 695,35 (zegge: zeshonderdvijfennegentig euro en vijfendertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 4] een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 5] een bedrag van € 680,19 (zegge: zeshonderdtachtig euro en negentien cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

de bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant aan de onderscheiden appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] ieder € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro);

- aan [appellant sub 2] en anderen € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

568.