Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1136

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200900065/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfspand op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900065/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 november 2008 in zaak nr. 08/0871 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfspand op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Bij uitspraak van 21 november 2008, verzonden op 25 november 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2009, waar [appellante], bijgestaan door J.C. van Rossum, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. Murray en M. Broersma, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is daar [vergunninghoudster], bijgestaan door mr. J. Jonk, advocaat te Nieuwegein, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij als belanghebbende is aan te merken bij het besluit tot uitbreiding van de Deli XL-vestiging aan de [locatie 1] te [plaats]. Zij voert daartoe aan dat het bouwplan, gesitueerd in het gebied rond de Malapertweg, door zijn ruimtelijke uitstraling op de omgeving van invloed is op haar woonmilieu.

2.2. Voor het oordeel dat [appellante] als belanghebbende bij het besluit dient te worden aangemerkt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. Zij heeft terecht en op goede gronden bij haar oordeel betrokken dat [appellante] vanaf haar perceel aan de [locatie 2] geen zicht heeft op het desbetreffende bedrijfspand, noch op de voorziene uitbreiding daarvan. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de afstand tussen de woning van [appellante] en het bedrijfspand na de uitbreiding ongeveer 145 meter bedraagt en dat gebleken is dat het bouwplan ter plaatse van die woning geen ruimtelijk relevante gevolgen heeft. In dat kader heeft de rechtbank terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het bouwplan, gelet op de wijze van ontsluiting van het bedrijfspand via de Buijs Ballotlaan op de Structuurbaan, niet tot verkeersoverlast op de Malapertweg zal leiden. De gestelde omstandigheid dat [appellante] het gehele gebied rond de Malapertweg als haar woon- en leefmilieu ervaart en het bouwplan de grens van dit gebied overschrijdt, heeft de rechtbank terecht niet tot het oordeel geleid dat [appellante] als belanghebbende bij het besluit is aan te merken. Dat het bouwplan, naar gesteld, ruimtelijke uitstraling heeft in de directe omgeving, maakt [appellante], gelet op het samenstel van vorenstaande feiten en omstandigheden, niet tot belanghebbende bij het besluit. De uitspraak van de Afdeling van 22 september 2004 (in zaak nr. 200401506/1), waarnaar [appellante] in hoger beroep heeft verwezen, biedt geen grond voor een ander oordeel, nu de daarin aan de orde zijnde feiten en omstandigheden niet vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak. De gestelde omstandigheid dat het college [appellante] bij een ander besluit wel als belanghebbende heeft aangemerkt, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat, daargelaten dat dit een ander besluit met andere feiten en omstandigheden betreft, de Afdeling zich niet gebonden acht aan een oordeel van het college omtrent belanghebbendheid.

Het betoog faalt.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

392.