Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1135

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200809148/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: Het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast drie containers op het perceel hoek Liedetocht/Spaarnwouderweg te Vijfhuizen (hierna: het perceel) te verwijderen en geheel verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200809148/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 oktober 2008 in zaak nr. 08/492 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (hierna: Het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast drie containers op het perceel hoek Liedetocht/Spaarnwouderweg te Vijfhuizen (hierna: het perceel) te verwijderen en geheel verwijderd te houden.

Bij besluit van 30 november 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2008, verzonden op 10 november 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 30 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Wernik, advocaat te Haarlem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat de in geding zijnde containers in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet zonder bouwvergunning zijn geplaatst, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de containers kunnen worden gelegaliseerd, aangezien deze in overeenstemming met het bestemmingsplan voor agrarische doeleinden worden gebruikt.

2.2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Liede" rust op het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden II".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en de daartoe nodige agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken.

2.2.2. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat uit de planvoorschriften volgt dat sprake dient te zijn van bedrijfsmatig agrarisch gebruik. Vaststaat dat het perceel en de containers in gebruik zijn ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden en schapen. De containers zijn daartoe respectievelijk ingericht als stal en als opslagruimte van hooi en voer. Voor het oordeel dat dit hobbymatig gebruik in overeenstemming is met de aan het perceel toegekende agrarische bestemming en de containers, gelet daarop, zijn aan te merken als voor agrarisch gebruik nodige bouwwerken, als bedoeld in artikel 7 van de planvoorschriften, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het overgangsrecht op de containers van toepassing is, nu deze zijn geplaatst ter vervanging van in 2000 door brand verwoeste opstallen. Voorts voert hij aan dat in dit geval de zogenoemde "toverformule" van toepassing is.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften die deel uitmaken van het besluit "Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen" (hierna: het herzieningsbesluit), mogen binnen het plan gelegen bestaande bouwwerken, die hetzij door hun bestaan als zodanig, hetzij door hun afmetingen niet voldoen aan het plan:

a. voor een gedeelte worden vernieuwd of in beperkte mate worden veranderd, mits daardoor de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot;

b. tot ten hoogste 15% van de vloeroppervlakte worden uitgebreid, mits daardoor de naar de weg toegekeerde bebouwingsgrenzen dan wel de voorgevelrooilijnen niet worden overschreden en overigens de bestaande afwijking van de aard van de bestemming niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, voor zover thans van belang, mogen bouwwerken als bedoeld in artikel 5, eerste lid, in geval van verwoesting ten gevolge van een calamiteit, geheel worden herbouwd, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 5 op overeenkomstige wijze van toepassing is.

Ingevolge het tweede lid wordt de vergunning voor deze herbouw slechts verleend indien de aanvraag daartoe is ingekomen binnen 1 jaar nadat het bouwwerk is tenietgegaan.

Ingevolge het derde lid verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van de termijn in het tweede lid, tot ten hoogste 5 jaar, indien en voor zover zulks vanwege een ter zake dienende procedure noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het verboden de binnen het plan gelegen gronden of de bouwwerken te gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens het plan toelaatbaar is.

Ingevolge het tweede lid verlenen burgemeester en wethouders van het bepaalde in het eerste lid vrijstelling indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatig gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt.

2.3.2. Voor zover het betoog van [appellant] betrekking heeft op het gebruiksovergangsrecht, faalt het reeds omdat het in geding zijnde besluit uitsluitend betrekking heeft op het zonder bouwvergunning plaatsen van de containers en niet op het gebruik daarvan of op het gebruik van het perceel. Het gebruiksovergangsrecht is mitsdien niet van toepassing. Ook faalt mitsdien het beroep op de "toverformule".

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat, nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, tweede en derde lid, van de voorschriften van het herzieningsbesluit, het bouwovergangsrecht evenmin op de containers van toepassing is.

Het betoog faalt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, zodat het college van dat optreden had behoren af te zien.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de enkele omstandigheid dat de containers, naar is gesteld, lange tijd door het college ongemoeid zijn gelaten geen bijzondere omstandigheid betreft op grond waarvan het college had moeten afzien van handhavend optreden. Die omstandigheid biedt voorts geen grond voor het oordeel dat met het handhavend optreden geen belang meer zou kunnen zijn gediend.

Het betoog faalt.

2.5. Voor zover [appellant] zich heeft beroepen op het gelijkheidsbeginsel bestaat geen aanleiding daarop in te gaan, reeds omdat hij dit beroep niet op enigerlei wijze met vergelijkbare gevallen heeft onderbouwd.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

392.