Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200808811/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 21 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gezondheidscentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808811/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 oktober 2008 in zaak nr. 08/556 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 21 juni 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van een gezondheidscentrum op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 januari 2008 heeft het college de onder meer door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 oktober 2008, verzonden op 28 oktober 2008, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 januari 2008 vernietigd voor zover het ziet op de verleende bouwvergunning eerste fase. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 24 februari 2009 heeft het college de tegen het besluit van 21 juni 2007 tot verlening van een bouwvergunning eerste fase gemaakte bezwaren opnieuw ongegrond verklaard, de verleende bouwvergunning ingetrokken en opnieuw bouwvergunning eerste fase verleend overeenkomstig de, bij dit besluit behorende, gewaarmerkte bijlagen.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 juni 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet, voor zover thans van belang, in de aanleg van 37 parkeerplaatsen op eigen terrein ten behoeve van het voorziene gezondheidscentrum. In het besluit op bezwaar is daarbij bepaald dat [vergunninghouder] zich dient in te spannen om op zijn kosten aan de overzijde van de A. Koopmanstraat pal tegenover het perceel tevens 7 parkeerplaatsen te realiseren, die ook door anderen dan de bezoekers van het gezondheidscentrum kunnen worden gebruikt, zodat wordt voldaan aan het door het college wenselijk geachte aantal van 44 parkeerplaatsen.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan de vraag of, uit een oogpunt van het waarborgen van voldoende parkeergelegenheid voor anderen dan de bezoekers van het gezondheidscentrum, het college met betrekking tot het realiseren van de 7 parkeerplaatsen tegenover het perceel mocht volstaan met een inspanningsverplichting in het besluit.

2.3. Niet in geschil is dat ten behoeve van het bouwplan de aanleg van minimaal 34 parkeerplaatsen is vereist, maar dat de aanleg van 44 parkeerplaatsen wenselijk is. Voorts is niet in geschil dat 11 van de 37 op eigen terrein voorziene parkeerplaatsen niet aan de ingevolge de gemeentelijke bouwverordening vereiste afmetingen voldoen en het bouwplan als gevolg daarvan in onvoldoende parkeerplaatsen voorziet. De rechtbank heeft reeds hierom het besluit op bezwaar, voor zover dit ziet op de verleende bouwvergunning eerste fase, terecht vernietigd wegens strijd met de bouwverordening. Gelet hierop hoefde zij niet meer toe te komen aan de vraag of het college in het besluit op bezwaar mocht volstaan met een inspanningsverplichting met betrekking tot het realiseren van de 7 parkeerplaatsen aan de overzijde van het perceel.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 24 februari 2009 (hierna: het nieuwe besluit) heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de onder meer door [appellant] tegen het verlenen van de bouwvergunning eerste fase gemaakte bezwaren. Aangezien bij het nieuwe besluit de bezwaren van [appellant] ongegrond zijn verklaard, wordt het hoger beroep van [appellant], gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.6. Bij het nieuwe besluit heeft het college de bouwvergunning eerste fase van 21 juni 2007 ingetrokken en opnieuw bouwvergunning eerste fase verleend ten behoeve van het bouwplan, daarbij in aanmerking nemend dat volgens een door [vergunninghouder] ingediend nieuw inrichtingsontwerp, behorende bij de nieuwe bouwvergunning, de op eigen terrein voorziene parkeerplaatsen thans alle aan de ingevolge de bouwverordening vereiste afmetingen voldoen. Hiermee staat vast dat het bouwplan aan het vereiste minimumaantal van 34 parkeerplaatsen voldoet. Voorts is de aanleg van het gewenste aantal van 44 parkeerplaatsen met het nieuwe besluit voldoende verzekerd, nu de 7 parkeerplaatsen aan de overzijde van het perceel, voor de aanleg waarvan inmiddels onherroepelijk vrijstelling is verleend, onderdeel uitmaken van voormeld inrichtingsontwerp.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hanrath

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

392.