Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200904153/1/H3 en 200904153/2/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) de sluiting bevolen van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 358 met annotatie van F.R. Vermeer
BA 2009/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904153/1/H3 en 200904153/2/H3.

Datum uitspraak: 25 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 5 juni 2009 in zaak nrs. 09/691 en 09/690 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Maastricht.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2009 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester) de sluiting bevolen van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden.

Bij besluit van 10 april 2009 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2009, verzonden op 9 juni 2009, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 juni 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juni 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Osmic, advocaat te Maastricht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. G. Marcus-Silletti, en mr. J. Caluwe-Peters, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ter uitvoering van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester het "Damoclesbeleid Lokalen en woningen Artikel 13b Opiumwet" (hierna: Damoclesbeleid) vastgesteld. Volgens punt 15 van het Damoclesbeleid wordt indien sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs bij de eerste overtreding de woning gesloten voor drie maanden.

2.3. De burgemeester heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit een rapport van de Politie regio Limburg Zuid, door hem ontvangen op 7 november 2008, ten grondslag gelegd. In dit rapport is aangegeven dat de politie heeft waargenomen dat twee personen de woning hebben bezocht en ten overstaan van de politie hebben verklaard in de woning heroïne te hebben gekocht. Verder heeft de politie geconstateerd dat vanuit de woning in verdovende middelen werd gehandeld. Bij een inval door de politie, onder leiding van een rechter-commissaris, werden in de woning een grote hoeveelheid verdovende middelen, een grote hoeveelheid geld en diverse materialen die gebruikt worden bij de handel in verdovende middelen, aangetroffen. Verder staat in het rapport dat vijf personen bekend uit het drugsrunnersmilieu en twee Franse kopers in de woning zijn aangetroffen. De woning leek niet bewoond, doch slechts te zijn ingericht voor de handel in verdovende middelen. Volgens de burgemeester kan hieruit geconcludeerd worden dat de verdovende middelen in de woning aanwezig waren met het oogmerk deze te verkopen, af te leveren en/of te verstrekken.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het actuele nut van de sluiting van het pand niet meer aanwezig is. Het tijdsverloop tussen de eerste melding op 28 april 2008 aan de politie door [appellant] van onregelmatigheden in zijn woning en het bevel tot sluiting van de woning van 13 januari 2009 rechtvaardigt volgens hem niet de conclusie dat belang bestaat bij sluiting van de woning. Bovendien hebben zich in de tussentijd in of rondom het pand geen onregelmatigheden voorgedaan. De voorzieningenrechter heeft verder ten onrechte overwogen dat de huursituatie in het pand niet onomstotelijk vaststaat. Inmiddels zijn de huurders vertrokken vanwege het optreden van de burgemeester. Het belang van de burgemeester om het pand te sluiten is ook hiermee vervallen. De voorzieningenrechter is ten onrechte voorbij gegaan aan de nadelige gevolgen van de sluiting, aldus [appellant].

2.4.1. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was toepassing te geven aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verder wordt overwogen dat het bevel tot sluiting van de woning voor drie maanden overeenkomstig punt 15 van het Damoclesbeleid is genomen. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of de door [appellant] aangevoerde omstandigheden noopten tot een afwijking van het door de burgemeester gevoerde Damoclesbeleid.

Anders dan [appellant] betoogt, kan uit het overleggen van de huurovereenkomsten niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat in de woning ten tijde van het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit een bestendige huursituatie bestond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in ieder geval een deel van de door [appellant] overgelegde huurovereenkomsten niet overeenstemmen met de feitelijke situatie. Voorts zijn bij controles van de woning andere personen aangetroffen dan vermeld op de door [appellant] overgelegde huurovereenkomsten en werd de woning op enig moment aan enkele personen verhuurd die de woning niet permanent bewoonden. De voorzieningenrechter heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat de huursituatie niet onomstotelijk vaststond en dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] gestelde belangen van de huurders geen bijzondere omstandigheid oplevert die tot afwijking van punt 15 van het Damoclesbeleid noopte.

De omstandigheid dat tussen de melding aan de politie door [appellant] van de ongeregeldheden in de woning en het bevel tot sluiting enige tijd is gelegen, levert evenmin een bijzondere omstandigheid op die noopte tot een afwijking van het Damoclesbeleid. De voorzieningenrechter heeft op juiste gronden geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat door het tijdsverloop tussen de melding van de onregelmatigheden door [appellant] aan de politie en het bevel tot sluiting van de woning de openbare orde geheel en definitief is hersteld en sluiting van de woning voor drie maanden als maatregel geen enkel effect sorteert. Het nieuwe feit dat de woning thans niet meer is bewoond, leidt evenmin tot een ander oordeel. Gezien de aard en de ernst van hetgeen aan de sluiting ten grondslag is gelegd en gezien het daarmee beoogde doel, te weten het definitief doorbreken van de gang naar de woning en de bekendheid van de woning in kringen van handelaren en gebruikers van verdovende middelen, bestaat geen grond voor het oordeel dat met de sluiting van de woning voor een periode van drie maanden thans geen enkel belang meer is gediend.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009

187-581.