Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200809076/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw aan de achtergevel op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809076/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 november 2008 in zaak nr. 08/1351 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Waterland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw aan de achtergevel op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2008, verzonden op 13 november 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. de Graaf, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van het kantoorgebouw op het perceel. De voorziene uitbreiding heeft een goothoogte van 8,3 meter.

2.2. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ilpendam" de bestemming "Woon- en Kantoordoeleinden WK".

2.3. Ingevolge artikel 1, onder 3, van de planvoorschriften wordt onder bestemmingsvlak verstaan een op de kaart aangegeven vlak met eenzelfde bestemming.

Ingevolge dat artikel, onder 7, wordt onder voorgevelrooilijn verstaan de grens tussen de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Tuinen", voorzien van de aanduiding "Tv" en/of de grens tussen de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Verkeersdoeleinden", zoals op de kaart is aangegeven, tenzij ingevolge deze voorschriften anders wordt bepaald.

Ingevolge dat artikel, onder 32, wordt onder openbare weg verstaan een voor ieder vrij toegankelijke weg.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 42, van de planvoorschriften worden de afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Woon- en Kantoordoeleinden WK" bestemd voor het wonen en het gebruiken als kantoor.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend hoofdgebouwen, aanbouwen en bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder d, van dat artikel mag de goothoogte van de gebouwen niet meer bedragen dan:

- binnen een zone van 15,00 meter vanaf de grens van het bestemmingsvlak grenzend aan de openbare weg: 10,00 meter;

- op een afstand van meer dan 15,00 meter vanaf de grens van het bestemmingsvlak grenzend aan de openbare weg: 4,00 meter.

2.4. De uitbreiding is voorzien binnen een zone van 15,00 meter vanaf de grens van het bestemmingsvlak grenzend aan het grindpad gelegen tussen het perceel en De Noord (hierna: het grindpad), en buiten een zone van 15,00 meter vanaf de grens van het bestemmingsvlak grenzend aan De Noord.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd met artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften voorziet in een goothoogte van meer dan 4,00 meter. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte bij de bepaling van de zone van 15,00 meter, als bedoeld in voormeld artikel, het grindpad als uitgangspunt heeft genomen. [appellant] stelt primair dat bij de bepaling van deze zone uitsluitend De Noord van belang is, nu de grens van het bestemmingsvlak met deze weg de voorgevelrooilijn betreft. Secundair voert hij aan dat bij de bepaling van deze zone, zowel de afstand van de voorziene uitbreiding tot De Noord als de afstand tot het grindpad van belang is. Nu de afstand van de voorziene uitbreiding tot de Noord meer dan 15,00 meter bedraagt mag de goothoogte van de uitbreiding niet hoger dan 4,00 meter zijn, aldus [appellant].

2.5.1. Vast staat dat het perceel grenst aan twee openbare wegen, als bedoeld in artikel 1, onder 32, van de planvoorschriften, te weten De Noord en het grintpad. De omstandigheid dat de grens van het bestemmingsvlak met De Noord ingevolge artikel 1, onder 7, van de planvoorschriften als voorgevelrooilijn dient te worden aangemerkt, zoals [appellant] stelt, is, wat daar verder van zij, niet relevant voor het vaststellen van de goothoogte, nu artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften niet vereist dat de zone aan de voorgevelrooilijn dient te grenzen. Anders dan het college voorstaat, biedt artikel 2, onder 42, van de planvoorschriften geen grond voor de conclusie dat bij toetsing van het bouwplan aan artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschrifen vanaf het grindpad dient te worden gemeten, nu artikel 2, onder 42, van de planvoorschriften niet ziet op de wijze van meten van de afstand van bouwwerken tot de grens van een bestemmingsvlak grenzend aan de openbare weg, maar slechts op de afstanden tussen bouwwerken onderling en de afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen.

Het bestemmingsplan kent geen regeling voor het geval dat het gebouw is gelegen aan twee openbare wegen. Artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften heeft uit stedenbouwkundig oogpunt tot strekking dat er ten opzichte van de openbare weg in zones zekere hoogtelijnen worden aangehouden. Het kantoorgebouw is, zoals ter zitting ook bevestigd, gericht naar de Noord, evenals de andere zich in de omgeving van het kantoorgebouw bevindende bouwvarianten. Aan het grindpad zijn aan de zijde van het kantoorgebouw geen andere gebouwen gelegen. Een redelijke uitleg van artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, brengt in dit geval mee dat de zone wordt bepaald grenzend aan de Noord.

Vast staat dat het bouwplan is gesitueerd buiten een zone van 15,00 meter vanaf de grens tussen het bestemmingsvlak en De Noord. Nu het bouwplan voorziet in een goothoogte van 8,3 meter is het in strijd met artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. Ook als twee zones zouden worden bepaald, zowel die grenzend aan de Noord als die grenzend aan het grindpad, wordt aan het planvoorschrift niet voldaan.

De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Waterland (hierna: de bouwverordening). Daartoe voert hij aan dat het bouwplan niet voorziet in parkeerplaatsen op het perceel.

2.6.1. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening, voor zover hier van belang, moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van dat artikel, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte is voorzien.

2.6.2. Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004, nr. 200400798/1, behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. De uitbreiding waar het bouwplan in voorziet bedraagt 96 m². Het college heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte aansluiting gezocht bij de "Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van de stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: ASVV 2004). De ASVV 2004 bevelen voor een kantoorfunctie (zonder balie), als de onderhavige, een minimumnorm van 1,2 tot 1,7 parkeerplaatsen per 100 m² aan. Vast staat dat het bouwplan niet voorziet in parkeerruimte in, op of onder het pand en evenmin op of onder het daarbij behorende onbebouwde terrein. Gelet hierop staat eveneens vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

Uit het vorenstaande volgt dat, gelet op artikel 44 van de Woningwet, slechts bouwvergunning voor het bouwplan mag worden verleend nadat vrijstelling is verleend van het in artikel 15, derde lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften gestelde en met toepassing van artikel 2.5.30, vierde lid, van de bouwverordening ontheffing is verleend van het in het eerste lid van dat artikel gestelde. Nu het college deze vrijstelling en ontheffing niet heeft verleend had het de bouwvergunning dan ook dienen te weigeren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 25 februari 2008, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 november 2008 in zaak nr. 08/1351;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Waterland van 25 februari 2008, kenmerk 07.02738;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Waterland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Waterland aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Waterland aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

414-580.