Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1105

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200808979/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om zijn caravan na 1 november 2007 niet meer tussen 20.00 uur en 12.00 uur op de percelen, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen) of elders in De Welle te plaatsen of geplaatst te houden en zijn keetwagen voor 1 november 2007 van de percelen en De Welle te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808979/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 november 2008 in zaak nr. 08/749 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kampen (hierna: het college) [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast om zijn caravan na 1 november 2007 niet meer tussen 20.00 uur en 12.00 uur op de percelen, kadastraal bekend [gemeente], sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de percelen) of elders in De Welle te plaatsen of geplaatst te houden en zijn keetwagen voor 1 november 2007 van de percelen en De Welle te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder verbetering van de motivering, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 9 januari 2009 en 10 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door J.L. Bogerd en mr. L. van der Kam, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit gold ten tijde van het besluit van 25 september 2007, is het verboden:

a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning,

b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, zoals dit gold ten tijde van het besluit van 25 september 2007, is ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie (Wor) is aan te merken als een bouwwerk, niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor wordt onder kampeermiddel verstaan tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wor is voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden met betrekking tot de caravan en de keetwagen. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat het plaatsen van de caravan en de keetwagen, naar analogie van de Wor, niet bouwvergunningplichtig is. Het betreft een bijzondere situatie, omdat dezelfde caravan en keetwagen jaarlijks op dezelfde plek worden teruggezet, aldus [appellant]. Voorts betoogt hij dat de caravan en de keetwagen onder het bouwovergangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

2.2.1. Vast staat en niet in geschil is dat in dit geval sprake is van bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet. De caravan en keetwagen zijn voorts niet geplaatst in overeenstemming met de Wor, nu de percelen niet kunnen worden aangemerkt als kampeerterrein in de zin van die wet, dan wel als onderdeel daarvan. Nu de caravan en keetwagen niet onder de wettelijke uitzondering op de bouwvergunningplicht voor bouwwerken, als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wor, vallen, bestaat er, anders dan [appellant] ter zitting heeft betoogd, geen aanleiding om een uitzondering op de bouwvergunningplicht ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet aan te nemen.

Het beroep op het overgangsrecht kan voorts niet slagen. Ook als zou worden aangenomen dat de caravan en de keetwagen onder het bouwovergangsrecht vallen, zoals [appellant] betoogt, laat dit onverlet dat het overgangsrecht geen bouwvergunning vervangende titel verschaft of anderszins de bouw legaliseert.

Nu vast staat dat de caravan en keetwagen zijn geplaatst zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend, is derhalve gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.1. [appellant] betoogt dat het college van handhavend optreden had moeten afzien omdat het jarenlang heeft stilgezeten. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de last onevenredig bezwarend voor hem is. Daartoe voert hij aan dat de plaatsing van de caravan gedurende de gehele dag planologisch gezien niet meer belastend is dan de plaatsing tussen 12.00 uur en 20.00 uur en dat het dagelijks herplaatsen van de caravan praktisch gezien geen optie is, waardoor de percelen hun waarde voor hem verliezen.

2.3.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het feit dat niet eerder handhavend is opgetreden niet met zich brengt dat het college bij [appellant] het in rechte te honoreren vertrouwen heeft opgewekt dat van handhavend optreden zou worden afgezien. In beginsel kan gerechtvaardigd vertrouwen slechts worden gewekt indien het bevoegde bestuursorgaan uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat van handhavend optreden zou worden afgezien. Hiervan is niet gebleken.

Er zijn voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de last onevenredig bezwarend is voor [appellant]. Het college heeft blijk gegeven het belang van [appellant] te hebben meegewogen bij het opleggen van de last onder dwangsom door [appellant] niet te gelasten de caravan permanent te verwijderen, waartoe het in beginsel bevoegd is, maar hem toe te staan de caravan tussen 12.00 uur en 20.00 uur op de percelen, dan wel elders in "De Welle" te plaatsen. Dat [appellant] geen ander alternatief is geboden kan niet leiden tot het oordeel dat de last onevenredig bezwarend is.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

414-580.