Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200807168/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sneek (hierna: het college) aan [appellant] vergunning onder voorschriften verleend voor het innemen van een standplaats met een hotdogkraam en aanverwante artikelen op het Leeuwenburg gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200807168/1/H3.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 augustus 2008 in zaak nr. 08/394 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sneek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sneek (hierna: het college) aan [appellant] vergunning onder voorschriften verleend voor het innemen van een standplaats met een hotdogkraam en aanverwante artikelen op het Leeuwenburg gedurende de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007.

Bij besluit van 26 januari 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 oktober 2007, verzonden op 1 november 2007, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 26 januari 2007 vernietigd.

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het college, met wijziging van de motivering, het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2008, verzonden op 19 augustus 2008, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2008, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 30 oktober 2008 zijn de nadere gronden van het hoger beroep ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. P. Bollema, advocaat te Sneek, en het college, vertegenwoordigd door A. Mulder en F. Nijp, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder c, van de Markt- en Standplaatsenverordening Sneek 1999 (hierna: de verordening) wordt in deze verordening verstaan onder standplaats: de ruimte die nodig is voor het uitoefenen van de markt- of straathandel en het verlenen van diensten.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder vergunning van het college op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats met een voertuig, een kraam, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden dan wel diensten aan te bieden.

Ingevolge het zesde lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:

a. in het belang van de openbare orde;

b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

d. in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e. wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;

f. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1.5, tweede lid, kan het college voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2.19, eerste lid, is het verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer dan twee uur voor aanvang en meer dan anderhalf uur na afloop van de markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren.

Ingevolge artikel 3.2 is ten aanzien van het innemen van standplaatsen buiten de markt artikel 2.19 overeenkomstig van toepassing.

Het beleid van het college met betrekking tot het verlenen en weigeren van standplaatsvergunningen buiten de markt is neergelegd in de Notitie Straathandel 2005 (hierna: de Notitie). In dit beleid is onderscheid gemaakt tussen permanente en incidentele standplaatsen buiten de markt. Bij incidentele standplaatsen wordt ervan uitgegaan dat een standplaatsvergunning wordt verleend voor één dag of ten hoogste twee dagen.

2.2. Het college heeft betoogd dat [appellant] geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep, nu de in het geding zijnde standplaatsvergunning is geëxpireerd en de thans geldende standplaatsvergunning, die is verleend voor het jaar 2009 en waaraan dezelfde voorschriften zijn verbonden als aan de vergunning voor het jaar 2007, onherroepelijk is.

2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 maart 2005 in zaak nr. 200403342/1) kan het belang bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel van de Afdeling kan worden betrokken bij toekomstige besluiten. Gebleken is dat het college aan [appellant] sinds 2004 jaarlijks vergunning voor het innemen van een standplaats met de hotdogkraam in Sneek heeft verleend. Aannemelijk is dat [appellant] ook in de toekomst voor een standplaatsvergunning in aanmerking wenst te komen. Gelet hierop heeft [appellant] met het oog op de door het college te nemen toekomstige besluiten belang bij de beoordeling van het hoger beroep.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat in de Notitie onder meer zijn opgenomen de locaties waar en de tijden waarop standplaats mag worden ingenomen. Zij heeft vastgesteld dat het ingevolge het in de Notitie neergelegde beleid vaste praktijk is dat in een voorschrift bij een standplaatsvergunning de tijden worden opgenomen waarvoor die vergunning geldt en dat tevens, ter verduidelijking van dat voorschrift, het voorschrift wordt gesteld dat de standplaats elke dag na sluitingstijd moet worden ontruimd. De rechtbank heeft overwogen dat de achtergrond hiervan is te voorkomen dat een standplaats verwordt tot een permanent winkeltje. Zij heeft geoordeeld dat deze bestaande praktijk haar op zichzelf niet onjuist of onredelijk voorkomt en dat het college laatstgenoemd voorschrift in redelijkheid in beginsel aan een standplaatsvergunning kan verbinden. Zij acht niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college in dit geval dit voorschrift niet had mogen stellen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft, omdat het door hem genoemde voorbeeld van de oliebollenkraam ten behoeve waarvan een standplaatsvergunning zonder dat voorschrift is verleend, niet met zijn situatie vergelijkbaar is, nu aan de oliebollenkraam die vergunning voor onbepaalde tijd is verleend onder de gelding van het vorige beleidsregime, waarin, anders dan in het huidige beleid, niets was bepaald over de tijden waarop een standplaats mocht worden ingenomen. Verder is naar het oordeel van de rechtbank een relevant verschil dat de standplaats van de oliebollenkraam tijdelijk en seizoensgebonden is en dat deze na de winterperiode wordt ontruimd, waardoor het risico dat een permanent bouwwerk ontstaat nihil is dan wel veel kleiner is dan in het geval van [appellant].

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte aan de vergunning het voorschrift heeft verbonden dat de standplaats iedere dag dient te worden ontruimd. Hiertoe voert hij aan dat de tijdstippen vermeld in de Notitie zien op de tijden waarbinnen vanaf de standplaats handel mag worden gedreven en niet op de tijden waarbinnen de standplaats mag worden ingenomen. Hij stelt dat ook uit de in de Notitie gebruikte term permanente standplaats volgt dat zijn kraam buiten de verkooptijden op die standplaats mag blijven staan. Daarbij wijst hij op het in de verordening gebruikte begrip dagplaats, dat volgens artikel 2.12 van de verordening inhoudt dat die plaats niet als vaste plaats is toegewezen of ingenomen.

2.4.1. Het betoog faalt. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 3.2 van de verordening ten aanzien van het innemen van standplaatsen buiten de markt artikel 2.19 van de verordening van overeenkomstige toepassing is. Ingevolge het eerste lid van dat artikel is het verboden voor vergunninghouders van standplaatsen op de markt - die worden toegewezen als vaste plaats, dagplaats of standwerkersplaats - meer dan twee uur voor aanvang en meer dan anderhalf uur na afloop van de markt op het marktterrein met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te nemen dan wel goederen aan of af te voeren. Hieruit volgt dat buiten de tijden die in de Notitie zijn vermeld bij de aanwijzing van de locaties ten behoeve van

- permanente en incidentele - standplaatsen buiten de markt, de betrokken vergunninghouders ook op die standplaatsen in beginsel geen ruimte mogen innemen. Reeds om die reden houdt de aan [appellant] verleende vergunning tot het houden van een permanente standplaats niet in dat de middelen waarmee de standplaats wordt ingenomen daar buiten de vergunde tijden mogen blijven staan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Zoals uit het besluit op bezwaar van 9 januari 2008 blijkt, is de uit de verordening volgende en derhalve wettelijke verplichting om de standplaats dagelijks te ontruimen slechts in de standplaatsvergunning vermeld om over die verplichting duidelijkheid te verschaffen.

2.5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen. Hij stelt dat de rechtbank in dat verband ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het feit dat de oliebollenkraam een seizoensgebonden standplaats heeft, reeds omdat de rechtbank in haar uitspraak van 31 oktober 2007 zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel op alle punten heeft onderschreven. Voorts voert hij aan dat de standplaatsvergunning die aan de oliebollenkraam is verleend, geldt tot wederopzegging, zodat deze kan worden opgezegd en een nieuwe vergunning kan worden afgegeven met daaraan verbonden de op grond van het huidige beleid geldende verplichtingen. Het feit dat het college dit niet heeft gedaan, duidt er volgens [appellant] op dat het college met twee maten meet en dat in zijn geval een onvoldoende belangenafweging heeft plaatsgehad.

2.5.1. Dit betoog faalt eveneens. De rechtbank heeft zich in haar uitspraak van 31 oktober 2007 niet uitgesproken over het gevaar dat de oliebollenkraam of de kraam van [appellant] een permanent karakter zou krijgen. Zij heeft in die uitspraak geoordeeld dat zij niet inzag dat de oliebollenkraam door de omstandigheid dat deze alleen tijdens de wintermaanden staat opgesteld, in mindere mate dan de kraam van [appellant] gevoelig zou zijn voor vandalisme en dat het college niet in redelijkheid het standpunt kon innemen dat om die reden de oliebollenkraam, in tegenstelling tot de kraam van [appellant], dag en nacht op de standplaats mocht blijven staan.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak met juistheid overwogen dat reeds omdat aan de oliebollenkraam een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend onder de gelding van het vorige beleidsregime, waarin nog niets was bepaald over de tijden waarop een standplaats mag worden ingenomen, dit geval niet op één lijn is te stellen met dat van [appellant]. Zijn betoog dat aan hem eveneens onder het oude beleid een standplaatsvergunning is verleend, leidt niet tot een ander oordeel, nu in het besluit op bezwaar van 9 januari 2008 onweersproken is gesteld dat voor de standplaats op het Leeuwenburg aan [appellant] voor het eerst vergunning is verleend in 2006, derhalve na de vaststelling van het beleid zoals neergelegd in de Notitie.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat door het tijdelijke, seizoensgebonden karakter van de standplaats van de oliebollenkraam en het feit dat deze na de wintermaanden wordt ontruimd, het risico dat die kraam het karakter krijgt van een vaste voorziening veel kleiner is dan in het geval van [appellant], wanneer diens kraam ononderbroken op de permanente standplaats blijft staan. Het feit dat, zoals [appellant] betoogt, in laatstgenoemd geval handhavend zou kunnen worden opgetreden, maakt dit niet anders. Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel geen doel treft. Reeds hierom faalt het betoog van [appellant] dat krachtens dit beginsel van het college mag worden verwacht dat het de standplaatsvergunning voor de oliebollenkraam opzegt en een nieuwe vergunning afgeeft waarin de tijden zijn vastgelegd waarop die standplaats mag worden ingenomen, zodat voor die kraam eveneens de verplichting tot ontruiming ontstaat.

2.6. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] de standplaats dagelijks na sluitingstijd dient te ontruimen. Ter zitting is namens het college toegezegd dat voor zover, zoals door [appellant] is gesteld, het gebruik van de standplaats feitelijk wordt verhinderd doordat op de hem vergunde tijden vrachtverkeer op die plaats laadt en lost, passende maatregelen zullen worden genomen om [appellant] in staat te stellen de standplaatsvergunning effectief te benutten.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze berust, te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Den Broeder

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

176-598.