Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200803432/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de rijksweg A7 op de gevels van de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster, vastgesteld, alsmede maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg binnen deze woningen.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 89
Wet geluidhinder 90
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009/331 met annotatie van J.H. Geerdink
M en R 2009, 91
ABkort 2009/293
JOM 2009/652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200803432/1/M2.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting vanwege de rijksweg A7 op de gevels van de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78 te Zuidoostbeemster, gemeente Beemster, vastgesteld, alsmede maatregelen vastgesteld die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege de weg binnen deze woningen.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen (hierna: [appellant] en anderen) bij brief van 1 november 2007 bezwaar gemaakt. Daarbij hebben zij de minister verzocht om met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de Afdeling. De minister heeft bij brief van 29 april 2008 ingestemd met rechtstreeks beroep.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. X. Visscher, advocaat te Purmerend, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. Cup, werkzaam bij het ministerie, en drs. Sartorius en mr. A. van Kessel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 januari 2007 zijn de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase, Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wet en dit besluit doorgevoerde wijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], is ingetrokken.

2.3. De krachtens artikel 90, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder (oud) op de gevels van de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78 ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting zijn vastgesteld op respectievelijk 58, 54 en 58 dB(A) op een hoogte van 1,5 meter en op respectievelijk 59, 56 en 59 dB(A) op een hoogte van 4,5 meter.

2.4. De minister voert aan dat het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant E] ([locatie 1]), [appellant F] ([locatie 2]), [appellant G] ([locatie 3]), [appellant H] ([locatie 4]), [appellant I] ([locatie 5]), [appellant J] ([locatie 6]) en [appellant K] ([locatie 7]) (hierna: [appellant E] en anderen), niet-ontvankelijk is omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de woningen van [appellant E] en anderen.

2.4.1. Ingevolge artikel 89, eerste lid, van die wet, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, stellen burgemeester en wethouders met inachtneming van de regels, gegeven krachtens het tweede lid, een programma vast van maatregelen die naar hun oordeel in aanmerking komen om de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels van de in artikel 88 bedoelde woningen zoveel mogelijk te beperken tot 55 dB(A) en om zo nodig te voldoen aan artikel 111, tweede of derde lid.

Ingevolge artikel 90, eerste lid, van die wet, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, leggen burgemeester en wethouders het ingevolge artikel 89, eerste lid, vastgestelde programma van maatregelen onverwijld door tussenkomst van gedeputeerde staten voor aan de minister.

Ingevolge artikel 90, tweede lid, van die wet, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, voor zover hier van belang, stelt de minister na ontvangst van zodanig programma voor de woningen waarop het betrekking heeft, de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting, vanwege de weg, van de gevels vast, met dien verstande dat deze waarde, behoudens het derde lid, 55 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 90, derde lid, van die wet, zoals dat luidde vóór 1 januari 2007, kan, in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen en volgens daarbij te stellen regels, de minister bij een besluit als bedoeld in het tweede lid van dit artikel voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting een hogere waarde dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 70 dB(A) niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Saneringsbesluit geluidhinder wegverkeer 1998 (oud) kan een hogere grenswaarde dan de in artikel 90, tweede lid, van de Wet geluidhinder genoemde waarde van 55 dB(A) worden vastgesteld als de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting, van de gevel van de betrokken woningen tot de ingevolge dit lid vastgestelde hogere grenswaarde onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 mei 2009, in zaak nr. 200805817/1/M2) raakt een besluit tot vaststelling van hogere waarden in het kader van de zogenoemde sanering van weglawaai in ieder geval rechtstreeks de belangen van alle personen die als omwonende of gebruiker van grond feitelijk geluidbelasting van het te saneren traject kunnen ondervinden.

Nu de woningen van [appellant E] en anderen zijn gelegen in de directe nabijheid van de woningen waarvoor bij het bestreden besluit de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidsbelasting zijn vastgesteld, moet ervan worden uitgegaan dat [appellant E] en anderen feitelijk geluidbelasting van het te saneren traject kunnen ondervinden. In zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dat is ingesteld door [appellant E] en anderen, niet-ontvankelijk is.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat bij het bestreden besluit ten onrechte niet de ten hoogste toelaatbare waarden van de geluidbelasting op de gevels van de woningen van [appellant E] en anderen zijn vastgesteld.

2.5.1. Uit artikel 90, tweede lid, van de Wet geluidhinder volgt dat slechts voor de woningen waarop het saneringsprogramma als bedoeld in artikel 89 van die wet betrekking heeft, hogere grenswaarden worden vastgesteld. Het saneringsprogramma dat door het college van burgemeester en wethouders van Beemster aan de minister is voorgelegd had uitsluitend betrekking op de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78. Gelet hierop was de minister niet bevoegd om voor de woningen van [appellant E] en anderen hogere grenswaarden vast te stellen, dan wel maatregelen vast te stellen die strekken tot het terugbrengen van de geluidbelasting op deze woningen tot de hogere grenswaarden. De beroepsgrond faalt.

2.6. [appellant] en anderen voeren aan dat de minister voor de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78 te hoge grenswaarden voor de geluidbelasting van de gevels van deze woningen heeft vastgesteld. Volgens hen is een verdergaande reductie van de geluidbelasting mogelijk in de vorm van maatregelen aan de weg, zoals het voorzien van de weg van een zogenaamde 'dunne dichte deklaag' of in elk geval het aanbrengen van zeer open asfalt beton. Voorts heeft de minister volgens [appellant] en anderen onvoldoende onderzoek verricht naar het treffen van afschermende maatregelen om de geluidoverdracht van de weg naar de woningen te verminderen. Zij wijzen er in dit kader op dat zij reeds een verhoogde geluidbelasting ondervinden vanwege de geluidreflectie van bestaande schermen langs de rijksweg A7 aan de zijde van de woonwijk Weidevenne in Purmerend en over het Noord-Hollands Kanaal. Voorts is volgens hen ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de rijksweg A7 ter hoogte van de bestaande schermen een exceptionele bocht maakt en de schermelementen licht krommend zijn, zodat de geluidbelasting ter plaatse hoger is dan waarvan de minister is uitgegaan.

2.6.1. De minister stelt zich op het standpunt dat het aanbrengen van een dunne dichte deklaag op de rijksweg A7 ter hoogte van de woningen aan het Noorderpad 11, de Volgerweg 77 en de Volgerweg 78 overwegende bezwaren ontmoet van financiële aard. Volgens de minister bedragen de kosten circa € 150.000, terwijl het maximale bedrag waarvoor de minister het college van burgemeester en wethouders van Beemster op grond van het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer (oud) subsidie zou kunnen verlenen € 4.084,02 bedraagt.

Volgens de minister is er wel onderzoek verricht naar een mogelijke vermindering van de geluidoverdracht van de rijksweg A7 naar de genoemde woningen, maar is het verlengen van de bestaande schermen langs de weg financieel niet doelmatig. Voor de afscherming van alle drie de woningen is een scherm van minimaal 500 meter noodzakelijk, bij een prijs van € 300 per m2. Ten slotte stelt de minister dat uit het rapport "Akoestische effecten van het toepassen van hellende geluidsschermen" van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat uit augustus 2003 blijkt dat de verhoging van de geluidbelasting ten gevolge van reflecties vanwege bestaande schermen in Beemster en Purmerend ten hoogste 0,2 dB(A) bedraagt, zodat de gestelde verhoging van de reeds ondervonden geluidbelasting ten gevolge van deze schermen verwaarloosbaar is.

2.6.2. Blijkens het akoestisch rapport van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van 29 juni 2006, alsmede blijkens het verhandelde ter zitting, heeft de minister de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidbelasting vanwege de rijksweg A7 op de gevels van de betrokken woningen - onder meer - vastgesteld op grond van het gegeven dat in 2016 op de rijksweg A7 ter hoogte van de betrokken woningen zeer open asfalt beton zou zijn aangebracht. Vast staat dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op de rijksweg A7 nog geen zeer open asfalt beton was aangebracht ter hoogte van de betrokken woningen. Ter zitting heeft de minister verklaard dat er afspraken zijn gemaakt met Rijkswaterstaat dat binnen tien jaar het desbetreffende deel van de rijksweg A7 wordt voorzien van zeer open asfaltbeton, maar dat het tijdstip waarop dit zeer open asfalt beton wordt aangebracht afhankelijk is van het onderhoudsprogramma van Rijkswaterstaat. Desgevraagd heeft de minister ter zitting tevens verklaard dat ten tijde van het bestreden besluit niet is nagegaan wanneer Rijkswaterstaat voornemens was het desbetreffende deel van de rijksweg A7 te voorzien van zeer open asfalt beton. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de minister in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. Dit onderdeel van de beroepsgrond slaagt.

2.6.3. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat zij reeds een verhoogde geluidbelasting ondervinden vanwege bestaande schermen in Beemster en Purmerend en vanwege de bocht in de A7, overweegt de Afdeling als volgt. In het rapport "Akoestische effecten van het toepassen van hellende geluidsschermen" wordt door de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat gesteld dat de verhoging van de geluidbelasting ten gevolge van reflecties vanwege bestaande rechte hellende schermen ten hoogste 0,2 dB(A) bedraagt. Ter zitting is echter gebleken dat het bestaande scherm in Beemster een hol scherm is. Onder deze omstandigheden is onzeker of inderdaad een verhoging van de geluidbelasting met ten hoogste 0,2 dB(A) zal optreden, zodat mogelijk is uitgegaan van een onjuiste aanname. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de minister in zoverre, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. Dit onderdeel van de beroepsgrond slaagt.

2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 augustus 2007 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.8. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 augustus 2007, kenmerk LMV 2007083230;

III. veroordeelt de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,40 (zegge: vijftienhonderdachttien euro en veertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan [appellant] en anderen onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

407-570.