Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1095

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200808231/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een winkel met magazijn en vier appartementen op het perceel [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200808231/1/H1.

Datum uitspraak: 1 juli 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 oktober 2008 in zaak nr. 07/5300 in het geding tussen:

appellanten,

[wederpartijen A],

[wederpartijen B],

[wederpartij C],

[wederpartijen D],

[wederpartij E],

[wederpartijen F],

[wederpartijen G]

en

het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een winkel met magazijn en vier appartementen op het perceel [locaties] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 oktober 2007, voor zover thans van belang, heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2009, waar [appellanten], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. Verbraaken, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. L.M.A. Schrieder, bijgestaan door J.M. Engel, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een winkel met magazijn en vier appartementen met een hoogte van circa 11,5 m en een diepte van circa 19 m. De entree van de appartementen is aan de zijkant gesitueerd. Bij het bouwplan zijn vier parkeerplaatsen voorzien.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet de Commissie voor de Bezwaarschriften over alle in bezwaar aangevoerde gronden heeft geraadpleegd.

2.2.1. In haar advies van 11 juli 2007 heeft de Commissie voor de Bezwaarschriften vermeld dat het besluit van 30 januari 2007 ten aanzien van welstandsaspecten niet berust op een deugdelijke motivering en dat zij daarom niet aan een inhoudelijke beoordeling van sommige van de overige aangevoerde gronden is toegekomen.

Uit de wet noch uit enig rechtsbeginsel vloeit voort dat het college, nadat het had besloten af te wijken van het advies van de Commissie voor de Bezwaarschriften, vervolgens, voor het nemen van het besluit op bezwaar, nogmaals deze Commissie diende te raadplegen.

2.3. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om bouwvergunning niet voldoet aan de in het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (hierna: Biab) gestelde vereisten.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 augustus 2007 in zaak nr. 200609028/1), volgt uit het enkele feit dat niet is voldaan aan vereisten, gesteld bij het Biab, niet dat de bouwvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen. Voor het oordeel dat het college zich in dit geval niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het over voldoende gegevens en bescheiden beschikte om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden. De aanvraag om bouwvergunning omvat een formulier als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Biab, bouwtekeningen, een bouwfysisch rapport en constructiegegevens. Het college heeft zich voorts gebaseerd op het overzicht "Bouwbesluittoets".

2.4. Het bouwplan is in strijd met het ten tijde van het besluit op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan "Centrum". Het college heeft daarvan met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.5. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorie├źn van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.6. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Daartoe voeren zij aan dat de entree van de appartementen aan de straatzijde had moeten worden gesitueerd en dat de appartementen niet geschikt zijn voor bewoning door ouderen. Daartoe voeren zij voorts aan dat het bouwplan tot parkeeroverlast zal leiden.

2.6.1. [appellanten] beroepen zich op de Nota van Uitgangspunten voor het bestemmingsplan "Bisschopsmolenstraat", echter deze Nota is niet als ruimtelijke onderbouwing aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd, zodat geen betekenis toekomt aan hetgeen daarin is neergelegd.

Het bestemmingsplan "Bisschopsmolenstraat", dat op 17 september 2007 is vastgesteld, vormt de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit op bezwaar ten grondslag ligt. Op grond van dit bestemmingsplan is niet vereist dat de entree is gericht op de Bisschopsmolenstraat of dat de appartementen geschikt zijn voor huisvesting van ouderen, zodat het door [appellanten] betoogde niet leidt tot het daarmee beoogde doel.

2.6.2. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan in vervangende nieuwbouw voorziet en dat de verkeersafwikkeling wat betreft het winkelpersoneel en bezoekers op dezelfde wijze zal plaatsvinden als voorheen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat [vergunninghouder] parkeerruimte voor het personeel dient te kopen in de bestaande parkeergarage in het centrum.

2.6.3. De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, in het door [appellanten] aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.7. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij aan dat hun privacy als gevolg van het bouwplan onaanvaardbaar afneemt door het ontstaan van een stedelijke omgeving aan de oostzijde van hun percelen.

2.7.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Daarbij is van belang, dat het college bij de bevoegdheid om al dan niet vrijstelling te verlenen over een ruime mate van beslissingsruimte beschikt. De rechtbank heeft voorts terecht in aanmerking genomen dat de afstand tussen de woningen van [appellanten] ten minste 40 m bedraagt.

2.8. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Daartoe voeren zij aan dat uit het advies van de welstandscommissie van de gemeente Etten-Leur (hierna: de welstandscommissie) van 4 oktober 2007 blijkt dat de bouwhoogte evenals de schaal en maat in strijd zijn met de welstandsnota "Etten-Leur" (hierna: de welstandsnota).

2.8.1. Uit het advies van de welstandscommissie kan worden afgeleid dat de welstandscommissie van mening is dat het bouwplan wat betreft de bouwhoogte, drie bouwlagen zonder kap, in strijd is met de welstandsnota. Voorts kan uit het advies van de welstandscommissie worden afgeleid dat zij het bouwplan wat schaal en maat betreft in strijd acht met de welstandsnota.

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college vrijstelling verleend voor het bouwplan, zoals omschreven onder 2.1. De welstandscommissie diende zich te richten naar de bouwmogelijkheden die het ter plaatse geldende bestemmingsplan en deze vrijstelling bieden. Nu de vrijstelling het bouwplan met zijn bouwhoogte, schaal en maat mogelijk maakt, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de gevraagde bouwvergunning wegens strijd met redelijke eisen van welstand diende te weigeren.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Sloots

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2009

499.