Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200904408/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan [verzoekster] twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904408/1/M2.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], gemeente Dronten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dronten (hierna: het college) aan [verzoekster] twee lasten onder dwangsom opgelegd.

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juni 2009, heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2009, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door G.E. Topper-Meijering en G. Scheepers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 mei 2009, voor zover thans van belang, is [verzoekster] gelast de overtreding van de voorschriften 1, 3, 4, 5, 6 en/of 7 van paragraaf VI van de milieuvergunning met nummer 84/13 te beëindigen. De dwangsom bedraagt € 10.000 per overtreding, die vanaf 15 juni 2009 wordt verbeurd voor zover brandgevaarlijke stoffen van ADR klasse 3 in de inrichting in strijd met voormelde voorschriften worden opgeslagen en vanaf 1 september 2009 wordt verbeurd voor zover gevaarlijk stoffen van de overige ADR klassen in strijd met de voormelde voorschriften worden opgeslagen.

2.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de voorschriften 1, 3, 4, 5, 6 en/of 7 van paragraaf VI van de milieuvergunning met nummer 84/13 zijn overtreden en het college in zoverre bevoegd is om bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen.

2.3. Het verzoek van [verzoekster] heeft uitsluitend betrekking op de begunstigingstermijn met betrekking tot de opslag van brandgevaarlijke stoffen van ADR klasse 3. Zij verzoekt de voorzitter om bij wege van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn van 15 juni 2009 te verlengen tot 6 juli 2009. In dit verband voert [verzoekster] aan dat zij voornemens is om, teneinde aan de voorschiften 1, 3, 4, 5, 6 en/of 7 te kunnen voldoen één of twee zogenoemde PGS-15 containers in bedrijfshal 2 te plaatsen, waarin de brandgevaarlijke stoffen van ADR klasse 3 overeenkomstig deze voorschriften kunnen worden opgeslagen.

In dit verband heeft [verzoekster] in het bezwaarschrift en ter zitting uiteengezet dat zij reeds een begin heeft gemaakt om hal 2 geschikt te maken voor de plaatsing van de containers. Ter zitting is voorts gebleken dat de eerste container op 24 juni 2009 zal worden geplaatst. Na plaatsing van de container zal de container op de aanwezige brandmeldingsinstallatie worden aangesloten en zal de sleutelkluis worden aangepast, aldus [verzoekster] Na het gereedkomen van deze werkzaamheden zullen de brandgevaarlijke stoffen van ADR klasse 3 eerst op 6 juli 2009 overeenkomstig de voorschriften 1, 3, 4, 5, 6, en/of 7 in de container kunnen worden opgeslagen.

2.4. De voorzitter begrijpt uit het gedoogbesluit van het college van 26 mei 2009, alsmede hetgeen het college ter zitting naar voren heeft gebracht, dat met de opslag van de brandgevaarlijke stoffen van ADR klasse 3 in de zogenoemde PGS-15 container in hal 2 aan de daaraan te stellen eisen wordt voldaan. De voorzitter is ervan overtuigd dat [verzoekster] datgene heeft gedaan en nog doet wat van haar gevergd kan worden om een einde aan de overtreding te maken. Voorts heeft [verzoekster] voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk is om de ter verwezenlijking hiervan benodigde werkzaamheden vóór 6 juli 2009 af te ronden.

2.5. Onder deze omstandigheden ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat de in het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dronten van 26 mei 2009, kenmerk U09.007940/VHV/GT genoemde begunstigingstermijn van 15 juni 2009 wordt verlengd tot 6 juli 2009;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dronten tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 676,49 (zegge: zeshonderdzesenzeventig euro en negenenveertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Dronten aan [verzoekster] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III. gelast dat de gemeente Dronten aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Taal

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

325-578.