Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200902255/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Hilvarenbeek (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Centrum en bebouwingslinten, Hilvarenbeek" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902255/2/R3.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Hilvarenbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2009 heeft de raad van de gemeente Hilvarenbeek (hierna: de raad) het bestemmingsplan "Centrum en bebouwingslinten, Hilvarenbeek" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellanten sub 1] (hierna: [appellant sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, [appellanten sub 2] (hierna: [appellant sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, en [appellanten sub 3] (hierna: [appellant sub 3]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 april 2009, heeft [appellant sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, heeft [appellant sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 april 2009, heeft [appellant sub 3] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben beiden de gronden van hun verzoek om voorlopige voorziening aangevuld bij een brief van 20 mei 2009.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 2 juni 2009, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 3], en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door J. Lubbers-Kluijtmans en M.J.M. Morel, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan omvat het centrumgebied van de kern Hilvarenbeek en de bebouwingslinten de Doelenstraat/Tilburgseweg, de Diessenseweg, de Gelderstraat en de Wouwerstraat.

2.3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], van wie de woningen onderscheidenlijk zijn gelegen aan de [locatie 1], aan de [locatie 2] en aan de [locatie 3], stellen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het plan uitsluitend consoliderend van aard is, omdat dat naar hun mening tevens voorziet in een onaanvaardbare toename van de horeca in de directe omgeving van hun panden. Dit zal volgens hen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse tot gevolg hebben, door geluid-, verkeers- en parkeeroverlast en door verloedering en vandalisme.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren voorts aan dat bij het plan ten onrechte slechts de bestemmingen detailhandel, horeca en (zakelijke) dienstverlening zijn toegekend, hetgeen betekent dat de woonfunctie van woonpanden onder overgangsrecht is komen te vallen. Hierdoor zal het plan leiden tot aantasting van de historisch gegroeide functiemenging als bepalend element van het karakter van het dorp en van de panden zoals de [locaties 4], die cultuurhistorisch waardevol en beeldbepalend zijn en deels monumentenstatus bezitten. De toekenning van de bestemming (zakelijke) dienstverlening aan de panden zal volgens [appellant sub 3] bovendien een eventuele verkoop negatief beïnvloeden en leiden tot een lage planschadevergoeding.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen verder dat in het plan ten onrechte het perceel aan de [locatie 2] tot "bedrijfswoning" is bestemd, terwijl dit al geruime tijd als woonhuis in gebruik is, en dat de vestiging van een winkel van het Kruidvat aan de [locatie 5] ten onrechte positief is bestemd. Dit laatste is volgens hen onder meer in strijd met een toezegging van de wethouder dat deze vestiging tijdelijk zou zijn.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] voeren ten slotte aan dat aan de totstandkoming van het plan verschillende tekortkomingen kleven. Zij stellen daartoe onder meer dat een niet-volledig ontwerpplan ter inzage heeft gelegen waarbij met name de Functiekaart heeft ontbroken, dat het plan ten tijde van de behandeling in de raad onvolledig was en dat na de vaststelling van het plan daarin nog ambtshalve wijzigingen zijn aangebracht.

2.4. De voorzitter stelt voorop dat er, mede gelet op het verhandelde ter zitting, vooralsnog van moet worden uitgegaan dat een toereikende terinzagelegging heeft plaatsgevonden, zodat in de daarop betrekking hebbende bezwaren geen aanleiding kan worden gevonden om een voorlopige voorziening te treffen. Ook in de overige aangevoerde formele bezwaren ziet de voorzitter voor het treffen daarvan vooralsnog geen aanknopingspunten.

2.5. Ter zitting is door de raad naar voren gebracht dat met het plan is beoogd te komen tot een combinatie van functies, waarbij bestaande bedrijven en woningen positief zijn bestemd, met de daarbij behorende bouwmogelijkheden. Met het plan is niet beoogd om bepaalde functies uit te breiden, maar om het aantal vestigingen te begrenzen op het bestaande aantal en nieuwe vestigingen aldaar slechts na verlening van een ontheffing mogelijk te maken. Bij een en ander is nagenoeg geheel aangesloten bij het bestemmingsplan "Centrum Hilvarenbeek" van 1991, aldus de raad.

2.6. In artikel 4.1.1 van de aan het plan verbonden planregels is aan de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] de bestemming "Centrum" toegekend, met onderscheidenlijk de aanduiding 'specifieke vorm van centrum 3 (sc-3)' en 'specifieke vorm van centrum 2 (sc-2)'.

Op de gronden met de aanduiding 'sc-2' is een concentratiegebied (zakelijke) dienstverlening voorzien met de nadruk op dienstverlening, en de menging met wonen. Ter plaatse van gronden met de aanduiding 'sc-3' is voorzien in een concentratiegebied horeca, met de nadruk op horeca en de menging met wonen, kantoren en (zakelijke dienstverlening).

In het bestemmingsplan "Centrum Hilvarenbeek" uit 1991 gold ter plaatse van het perceel [locatie 3] en omliggende percelen de bestemming "Centrumvoorzieningen I" en ter plaatse van de [locatie 1] de bestemming "Centrumvoorzieningen III". Ingevolge artikel 8, eerste lid, waren de gronden met de bestemming "Centrumvoorzieningen" bestemd voor - al dan niet in combinatie - onder meer wonen, zakelijke en maatschappelijke dienstverlening, detailhandel en horeca.

2.7. Gelet op het voorgaande is de voorzitter vooralsnog van oordeel dat het plan op het punt van de woonbestemming van het perceel van [appellant sub 1], noch op dat van het perceel van [appellant sub 3] een wezenlijk andere regeling bevat dan het bestemmingsplan "Centrum Hilvarenbeek". In hetgeen door hen is aangevoerd kan naar het oordeel van de voorzitter geen spoedeisend belang worden gevonden dat het treffen van een voorlopige voorziening zou rechtvaardigen. Mitsdien bestaat op dit punt geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8. Hetzelfde geldt voor de in het voorliggende plan voorziene regeling van de bestemmingen van de percelen aan de [locatie 5 en 2]. Ter zitting is door de raad onweersproken gesteld dat op het perceel no. 33 ook onder het vorige planologische regime een bedrijfsbestemming rustte. Op dit punt is van een spoedeisend belang van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bij het treffen van een voorlopige voorziening derhalve geen sprake.

Ten behoeve van het perceel aan de [locatie 5] is - naar ter zitting is komen vast te staan - met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een vrijstelling verleend voor de verbouw van het pand en gebruik daarvan als een winkel van het Kruidvat.

De toezegging van de wethouder over het tijdelijk karakter van de aanwezigheid van de winkel - wat daarvan ook zij, mede gezien de omstandigheid dat voormelde vrijstelling naar haar aard geen tijdelijk karakter heeft - kan niet gelden als een de raad toe te rekenen toezegging. De bevoegdheid om het plan vast te stellen berust immers niet bij de wethouder, maar bij de raad. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet strijdt met het vertrouwensbeginsel. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9. Ingevolge artikel 4.1.2, aanhef en onder c, van de planregels mag het aantal horecabedrijven in de gebieden met de aanduiding 'sc-3' binnen de gezamenlijke bestemmingsvlakken niet meer bedragen dan het aantal zoals bestaand op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

Ingevolge artikel 4.4.4, aanhef en onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4.1.2, onder c, voor een groter aantal horecavestigingen, mits de uitbreiding wordt gerealiseerd op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van centrum 3 (sc-3)'.

In artikel 8, eerste lid, van de aan het bestemmingsplan "Centrum Hilvarenbeek" verbonden planvoorschriften waren de mogelijkheden voor de realisering van horecagelegenheden onder meer gekoppeld aan de op de plankaart aangegeven differentiatievlakken voor onder meer horeca.

2.10. Namens de raad is ter zitting verklaard dat ten behoeve van horecaprojecten op dit moment geen aanvragen voor vergunningen zijn ingediend op basis van het voorliggende plan, doch slechts op basis van het vorige regime. Niet aannemelijk is geworden dat dit onjuist is.

Mitsdien moet worden geconstateerd dat - daargelaten in hoeverre op basis van het voorliggende plan in dit opzicht meer negatieve ontwikkelingen voor verzoekers zijn te voorzien dan onder het vorige regime mogelijk was - ook in zoverre een spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt.

2.11. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

240.