Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BJ1085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
01-07-2009
Zaaknummer
200903881/1/H1 en 200903881/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van bijgebouwen met kelder op het perceel [locatie] te Heemskerk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903881/1/H1 en 200903881/2/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 20 april 2009 in zaak nr. 09-1213/1216 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van bijgebouwen met kelder op het perceel [locatie] te Heemskerk (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 juni 2009, waar [appellant]is verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. B.G. Baljet, advocaat te Haarlem, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

(…)

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

2.3. Op grond van het bestemmingsplan "Heemskerk-Westertuinen (uitgewerkt)" (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het gedeelte van het perceel waarop het bouwplan is geprojecteerd de bestemmingen "Tuin of erf" en "Voor- en/of zijtuin".

Op deze bestemmingen zijn de bepalingen voor aan-, uit en bijgebouwen als bedoeld in de Parapluvoorschriften Heemskerk 2006 (hierna: de parapluvoorschriften) van toepassing.

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, onder a, van de parapluvoorschriften, voor zover thans van belang, betreffen de voor "Tuin bebouwd (T2)" aangewezen gronden onder meer de bestemmingen "Tuin of erf" en "Voor- en/of zijtuin" van de plankaart van het bestemmingsplan, voor zover deze gronden zijn gelegen achter de voorste bebouwingslijn van eengezinswoningen.

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, voor zover thans van belang, zijn de voor "Tuin bebouwd (T2)" aangewezen gronden bestemd voor het gebruik ten dienste van de aangrenzende en bijbehorende eengezinswoningen voor aan- en uit- en bijgebouwen, met dien verstande dat de woonfunctie in aan- en uitbouwen is toegestaan in de volgende zones grenzend aan het hoofdgebouw:

a. een zone van maximaal 3 m achter de achterste bebouwingslijn;

b. achter de achterste bebouwingslijn, of in voorkomend geval direct achter de onder sub a beschreven zone, over een breedte van maximaal 2/5 deel van de achtergevelbreedte van het hoofdgebouw en over een diepte van maximaal 6 m gerekend vanuit de achterste bebouwingslijn.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder d, voor zover thans van belang, mogen alle gebouwde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen tezamen niet meer dan 50% van de oppervlakte van de bestemmingen T1 en T2 in beslag nemen, met een maximum van 60 m².

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder h, zijn onder aan-, uit- en bijgebouwen kelders toegestaan tot een diepte van 3,3 m beneden het peil.

2.4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, nu de kelder niet zal worden gebruikt als berging, maar als bioscoopzaal, hetgeen in strijd is met artikel 7.1, tweede lid, van de parapluvoorschriften.

2.4.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 13 juli 2005 in zaak nr. 200409527/1), dient bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op een zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

Blijkens de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen voorzien het bouwplan in een kelder, fietsenhok, overkapping voor een buitenkeuken en berging. Voor het oordeel dat de kelder mede wordt opgericht met het oog op gebruik als bioscoopzaal, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden. Anders dan [appellant] betoogt, geeft de oppervlakte van de kelder geen grond voor een dergelijk oordeel. Aan het betoog van [appellant] dat [vergunninghouder] hem persoonlijk zou hebben meegedeeld dat de kelder als bioscoopzaal zal worden gebruikt, heeft de voorzieningenrechter terecht geen betekenis toegekend. Zowel ter zitting bij de voorzieningenrechter als ter zitting bij de voorzitter heeft [vergunninghouder] uitdrukkelijk gesteld dat de kelder zal worden gebruikt als wijnkelder en niet als bioscoopzaal.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met artikel 7.2, eerste lid, onder d, van de parapluvoorschriften. Daartoe voert hij aan dat het college in de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van alle gebouwde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen op het perceel ten onrechte de oppervlakte van de kelder niet heeft meegenomen.

2.5.1. Dit betoog faalt. Het bouwplan voorziet op de begane grond in een fietsenhok, een overkapping voor een buitenkeuken en een berging. Onder deze ruimten voorziet het bouwplan in een kelder, hetgeen ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder h, van de parapluvoorschriften is toegestaan. Voor de berekening van de maximumoppervlakte als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder d, van de parapluvoorschriften is bepalend de oppervlakte van de bestemmingen T1 en T2, waarbij het gaat om de oppervlakte boven het maaiveld; 50% daarvan, met een maximum van 60 m², mag worden bebouwd met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Gelet hierop behoeft de oppervlakte van de kelder niet in de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van alle gebouwde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen te worden meegenomen.

2.6. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de van toepassing zijnde welstandsnota van de gemeente Heemskerk. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan niet past in de stijl van de architectonische wijk waarin het perceel is gelegen en dat het bouwplan een verstorende werking op de woonomgeving heeft.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 mei 2009 in zaak nr. 200804977/1), mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

Aan het besluit op bezwaar heeft het college het positieve advies van Stichting Welstandszorg Noord-Brabant van 1 december 2008 ten grondslag gelegd. [appellant] heeft geen advies van een ander deskundig te achten persoon of instantie overgelegd. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het advies van 1 december 2008 naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit advies niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Nu [appellant] voorts niet gemotiveerd heeft aangevoerd dat dit advies in strijd is met de volgens de gemeentelijke welstandsnota geldende criteria, heeft het college het advies van 1 december 2008 aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag mogen leggen.

Het betoog faalt.

2.7. Ten slotte faalt het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college bij het verlenen van de bouwvergunning ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat een gedeelte van het bouwplan wordt gebouwd op een stuk grond dat door hem van de gemeente Heemskerk wordt gehuurd. Voor een belangenafweging bestaat immers, gelet op het karakter van artikel 44 van de Woningwet, geen ruimte. De omstandigheid dat het bouwplan een negatieve invloed heeft op de waardeontwikkeling van de woning van [appellant], evenals de mogelijke overlast die de bouw van de kelder met zich zal brengen, kan bij de toepassing van artikel 44 van de Woningwet evenmin een rol spelen.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

531.