Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808103/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BF4127
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college), voor zover hier van belang, het verzoek van [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) van 25 september 2006 om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende A] op een deel van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/179
JOM 2009/582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808103/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 september 2008 in zaak nr. 07/4006 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college), voor zover hier van belang, het verzoek van [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) van 25 september 2006 om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende A] op een deel van het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2008, verzonden op 1 oktober 2008, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.J.L.M. Claus, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende A], bijgestaan door mr. J.G. Tjallingii, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek om handhaving dient te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, waaraan geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in dat artikel ten grondslag zijn gelegd.

2.2.1. [appellant] is rechtsopvolger onder bijzondere titel van [belanghebbende B]. Bij het besluit van 12 december 1995 heeft het college het verzoek van [belanghebbende B] van 14 november 1995 om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende A] op een deel van het perceel afgewezen. Bij besluit van 19 maart 1996 heeft het college het door [belanghebbende B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het door hem daartegen ingestelde beroep is door [belanghebbende B] ingetrokken. Het bij besluit van 19 maart 1996 gehandhaafde besluit van 12 december 1995 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

2.2.2. Het college heeft zijn besluit van 12 december 1995 niet op aanvraag van [appellant] genomen. [appellant] betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn verzoek om handhavend op te treden van 25 september 2006 dient te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij gebreke aan enige andere relatie tussen [appellant] en [belanghebbende B], is de enkele omstandigheid dat de woning door [belanghebbende B] in eigendom is overgedragen aan [appellant] niet voldoende om de aanvraag van 25 september 2006 als een herhaalde aanvraag als bedoeld in dat artikel aan te merken.

De rechtbank heeft zich derhalve ten onrechte beperkt tot de vraag of zich nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die er toe leiden dat het besluit van 24 april 2007, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter kunnen worden getoetst.

Het betoog slaagt.

2.3. Nu de rechtbank ten onrechte niet is toegekomen aan de behandeling van de beroepsgronden, zal de Afdeling hiertoe overgaan.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Haps" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangegeven gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, is het verboden gronden te gebruiken in strijd met de aan de gronden gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, voor zover hier van belang, mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet. Het is verboden een met het plan strijdig gebruik te wijzigen in een ander met het plan strijdig gebruik, tenzij hierdoor de afwijking ten opzichte van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

2.5. [belanghebbende A] gebruikt een deel van het perceel ten behoeve van de handel in bestratingsmaterialen. Vast staat dat dit gebruik in strijd is met het in artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften toegestane agrarische gebruik.

2.6. [appellant] heeft in beroep betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van dit deel van het perceel ten behoeve van de handel in bestratingsmaterialen geen overtreding oplevert, omdat dit gebruik wordt beschermd door het in artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksovergangsrecht. Hiertoe voert hij aan dat het college heeft miskend dat het aan [belanghebbende A] is om desgewenst aannemelijk te maken dat dit gebruik op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan reeds bestond en dat nadien geen intensivering hiervan heeft plaatsgevonden. Van enige bewijsvoering van de kant van [belanghebbende A] is echter niet gebleken, aldus [appellant]. Voorts voert hij aan dat het college er niet in is geslaagd de beoogde bestemming "Agrarische doeleinden" binnen de planperiode van tien jaar te realiseren, zodat [belanghebbende A] zich niet meer met succes kan beroepen op het gebruiksovergangsrecht.

2.6.1. [appellant] heeft de door het college vastgestelde peildatum betwist. Anders dan [appellant] betoogt, moet de vraag wanneer het bestemmingsplan in werking is getreden, worden beantwoord aan de hand van de ten tijde van het besluit van het college van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van het bestemmingsplan geldende tekst van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de WRO, zoals dat destijds gold, voor zover thans van belang, wordt het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na de dagtekening van het raadsbesluit, houdende vaststelling daarvan, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten onderworpen.

Ingevolge artikel 28, tweede lid, voor zover thans van belang, beslissen Gedeputeerde Staten omtrent goedkeuring binnen twaalf weken of, indien tegen het vastgestelde plan tijdig bedenkingen zijn ingebracht, binnen zes maanden na afloop van de termijn van terinzagelegging.

Ingevolge artikel 28, zevende lid, voor zover thans van belang, kan tegen het besluit van Gedeputeerde Staten inzake goedkeuring beroep worden ingesteld bij de Afdeling.

Ingevolge artikel 28, achtste lid, voor zover thans van belang, treedt het besluit van Gedeputeerde Staten inzake goedkeuring in werking daags na afloop van de beroepstermijn. Indien binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de voorzitter van de Afdeling is ingediend, treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

Uit het besluit van het college van gedeputeerde staten omtrent goedkeuring van 15 november 1994 blijkt dat het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, op die datum is goedgekeurd. Tegen dit besluit is echter beroep ingesteld bij de Afdeling. Daarnaast zijn verzoeken om voorlopige voorziening, welke onder meer betrekking hebben op het perceel, bij de voorzitter van de Afdeling ingediend. De voorzitter heeft deze verzoeken bij uitspraak van 17 augustus 1995 afgewezen. Het bestemmingsplan is, voor zover het betrekking heeft op het perceel, derhalve op 17 augustus 1995 in werking getreden, zodat deze datum heeft te gelden als de voor het in artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht relevante peildatum.

2.6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. 200703885/1) rust de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is in beginsel op degene die zich daarop beroept.

2.6.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een deel van het perceel ten behoeve van de handel in bestratingsmaterialen reeds is aangevangen voor de peildatum en derhalve mag worden voortgezet onder de werking van het in artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde gebruiksovergangsrecht. Anders dan [appellant] betoogt, bestaat er in dit geval dan ook geen grond voor het oordeel dat [belanghebbende A] zelf nadere feiten en omstandigheden moet aandragen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het gebruiksovergangsrecht van toepassing is. Het is thans aan [appellant] om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Hij is hier niet in geslaagd. Onder deze omstandigheden moet het er voor worden gehouden dat het gestelde gebruik reeds voor 17 augustus 1995 plaatsvond. Voorts is niet aannemelijk geworden dat nadien intensivering hiervan heeft plaatsgevonden.

Dat het bedrijf niet binnen de planperiode van tien jaar is verplaatst naar een andere locatie, maakt voorts niet dat [belanghebbende A] geen beroep meer kan doen op het gebruiksovergangsrecht. Het bestemmingsplan, met inbegrip van de daarin opgenomen overgangsbepalingen, blijft immers gelden zolang het niet is herzien.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

179-357-593.