Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9716

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808801/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning van 26 januari 1995 voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning en een machineberging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808801/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 oktober 2008

in zaak nr. 08/303 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen (hierna: het college) de aan [vergunninghouder] verleende bouwvergunning van 26 januari 1995 voor de bouw van een agrarische bedrijfswoning en een machineberging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) ingetrokken.

Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het college het door [appellant] als erfgenaam van [vergunninghouder] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 december 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door drs. M.H.J.R. Hesselink, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Grendelman, ambtenaar in dienst

van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, dan wel de werkzaamheden langer dan de in de bouwverordening bepaalde termijn hebben stilgelegen.

Ingevolge artikel 4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Tubbergen kan het college de bouwvergunning op de voet van artikel 59 van de Woningwet geheel of gedeeltelijk intrekken, indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt, dan wel de werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken hebben stilgelegen.

2.2. Niet in geschil is dat de bouwwerkzaamheden op het perceel langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken hebben stilgelegen, zodat het college bevoegd was de bouwvergunning in te trekken.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning gebruik heeft gemaakt, heeft miskend dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Bij intrekking van de bouwvergunning is geen redelijk belang van het college gemoeid, zodat het college ten onrechte geen doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de door hem gestelde belangen om voor een goede uitoefening van het akkerbouwbedrijf op het perceel over een bedrijfswoning en een machineberging te kunnen beschikken, aldus [appellant].

2.4. In het besluit van 11 september 2007 heeft het college overwogen dat sinds de aanleg van de fundering voor de bedrijfswoning in 1999 geen verdere bouwactiviteiten meer hebben plaatsgevonden, niet aannemelijk is gemaakt dat de bouw op korte termijn zal worden voortgezet en planologische belangen zich tegen het alsnog realiseren van de bouwwerken verzetten.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 september 2003 in zaak nr. 200302060/1) kan de omstandigheid dat de houder van een bouwvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij alsnog binnen korte termijn daarvan gebruik zal maken, in redelijkheid ten grondslag worden gelegd aan intrekking van een ongebruikte bouwvergunning. Mede gelet op hetgeen [appellant] ter zitting bij de rechtbank te dien aanzien heeft verklaard, was ten tijde van het besluit van 7 februari 2008 niet aannemelijk dat de bouwwerkzaamheden op korte termijn zouden worden hervat. [appellant] heeft met het opvragen van twee offertes en het in de arm nemen van een architect om het bouwplan dat dateert uit 1995 aan de eisen van deze tijd aan te passen, niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan alsnog op korte termijn zal worden gerealiseerd.

Voorts heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde geen grond behoeven zien voor het oordeel, dat het college bij het nemen van het besluit tot intrekking van de bouwvergunning de belangen van [appellant] onvoldoende heeft betrokken. De rechtbank heeft daarbij terecht mede in aanmerking genomen dat jarenlang geen bouwactiviteiten meer hebben plaatsgevonden, hetgeen [appellant] is toe te rekenen, althans voor diens risico komt.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het algemene belang dat is gediend bij intrekking van de bouwvergunning zwaarder weegt dan het gestelde bedrijfsbelang van [appellant] om de bouwvergunning te behouden. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat de bouwvergunning zich niet verdraagt met de beoogde niet-agrarische bestemming van het perceel.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Boot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

202.