Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200805836/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pekela (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van fermentatie-installaties voor de productie van bio-ethanol en vergistingsinstallaties voor de productie van biogas en het opwekken van groene stroom op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 juni 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2009/52 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2009/679
Milieurecht Totaal 2009/4662
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200805836/1/M1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], beiden wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellanten sub 9], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Pekela,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Pekela (hierna: het college) aan [vergunninghouders] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van fermentatie-installaties voor de productie van bio-ethanol en vergistingsinstallaties voor de productie van biogas en het opwekken van groene stroom op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 26 juni 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2008, [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2008, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2008, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008, [appellant sub 5] (hierna: [appellant sub 5]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2008, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2008, [appellant sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2008, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2008, en [appellanten sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 2] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 augustus 2008. [appellanten sub 9] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 1 september 2008.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2009, waar [appellanten sub 1], vertegenwoordigd door mr. drs. E. Kronemeijer, [appellanten sub 2], in persoon, [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. drs. E. Kronemeijer, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. drs. R. Lagerweij, [appellant sub 7], in persoon, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. drs. E. Kronemeijer, [appellanten sub 9], vertegenwoordigd door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, en M. Gruis en A. Zwerver, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn [vergunninghouders], in persoon en bijgestaan door mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college betoogt dat de beroepen van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6], niet-ontvankelijk zijn, omdat zij geen belanghebbende zijn als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.1.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1.2. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de afstand van de inrichting tot aan de woningen van [appellant sub 6], onderscheidenlijk [appellant sub 5], [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4] en [appellanten sub 3] tot aan de inrichting ongeveer 325 meter onderscheidenlijk 330 meter, 450 meter, 720 meter, 800 meter en 1.650 meter bedraagt. Gelet op deze afstanden, de aard en de omvang van de inrichting, alsmede de omstandigheid dat uit de aanvraag noch de aanvullingen daarop die blijkens het bestreden besluit daarvan deel uitmaken, kan worden opgemaakt met welke hoeveelheden van bepaalde (afval)stoffen zal worden gewerkt, is op voorhand niet uit te sluiten dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 6], [appellant sub 5], [appellanten sub 1], [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] milieugevolgen van de inrichting kunnen worden ondervonden.

Uit het vorenstaande volgt dat alleen [appellanten sub 3] niet als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, kunnen worden aangemerkt, zodat voor hen geen beroep openstond op grond van artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2.2. Het college betoogt dat het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk is, omdat zij geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht.

Voorts betoogt het college dat het beroep van [appellant sub 5], voor zover dat ziet op het aantal installaties, de aangevraagde productiecapaciteit, de maximale productiecapaciteit bio-ethanol, de productie van biogas en de inzet van afvalstoffen, de gebruikte grondstoffen, de afvalstromen, de afwijking van de aanvraag, het aantal opslagtanks, de warmtekrachtinstallatie en de lozingen, niet-ontvankelijk is omdat hiertegen geen zienswijzen naar voren zijn gebracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2.2. [appellant sub 8] heeft geen zienswijzen naar voren gebracht. Voor zover het beroep is gericht tegen de milieugevolgen vanwege de nieuwe ontsluitingsweg, kan haar dit redelijkerwijze niet worden verweten, nu het definitieve besluit op dit punt is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Het beroep is in zoverre ontvankelijk. Ten aanzien van de overige beroepsgronden is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellant sub 8] redelijkerwijs niet kan worden verweten daartegen geen zienswijzen naar voren te hebben gebracht. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellant sub 8] in zoverre niet-ontvankelijk is.

[appellant sub 5] heeft over het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot de onderdelen geluidhinder, geurhinder, luchtkwaliteit en veiligheid. De in rechtsoverweging 2.2 weergegeven beroepsgronden, met uitzondering van de beroepsgrond betreffende lozingen, hebben daar mede betrekking op. In zoverre bestaat geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring van dit beroep.

[appellant sub 5] heeft evenwel geen zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot lozingen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de bodem. Nu niet is gebleken dat haar redelijkerwijs niet kan worden verweten dat over deze categorie van milieugevolgen geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, is de beroepsgrond met betrekking tot de lozingen vanwege de inrichting niet-ontvankelijk.

2.3. De vergunning voorziet in het oprichten en in werking hebben van twee bio-energie installaties voor de productie van bio-ethanol, het winnen van biogas en het opwekken van groene stroom. Iedere installatie bestaat uit een procesinstallatie met een productiecapaciteit van 15 miljoen liter bio-ethanol per jaar, gedestilleerd uit 43.000 ton graan, een vergistingsinstallatie voor het produceren van jaarlijks 17 miljoen m3 biogas uit de restproducten van de bio-ethanolproductie en separaat toe te voegen organische ‘witte lijst’stoffen als maïs en bieten en een warmtekrachtinstallatie met een totaal vermogen van 6 MWth voor het omzetten van biogas in elektriciteit en warmte.

In de aanvraag wordt uitgegaan van een verwerking van 86.000 ton graan en 70.000 ton aan overige organische stoffen. De binnen de inrichting te verwerken stoffen zijn graan, energiemaïs, bieten, gras, bietenpuntjes, etc. De producten zijn zowel van het eigen landbouwbedrijf als van derden afkomstig en worden met vrachtwagens aangevoerd.

2.4. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] betogen dat op grond van het bestreden besluit noch de daarvan deel uitmakende aanvraag kan worden vastgesteld dat het college bevoegd was het bestreden besluit te nemen.

2.4.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede, het derde en het vierde lid.

Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat ten aanzien van daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, of Onze Minister bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag om een vergunning.

Ingevolge artikel 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (hierna: het Ivb) zijn gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.

Ingevolge categorie 28.4, onder a, sub 6, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen voor het opslaan van andere dan onder sub 1 tot en met sub 5 genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer.

Ingevolge categorie 28.4, onder c, sub 1, van bijlage I van het Ivb zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten, agglomereren, deglomereren, mechanisch, fysisch of chemisch scheiden, mengen, verdichten of thermisch behandelen - anders dan verbranden - van van buiten de inrichting afkomstige huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 15.106 kg per jaar of meer.

2.4.2. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

2.4.3. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat de binnen de inrichting te be- en verwerken organische stoffen residuen zijn van productieprocessen in de agrarische sector en dat deze stoffen in ieder geval voor een deel van buiten de inrichting afkomstig zijn. Niet gebleken is dat is beoogd (al) deze producten te produceren als grondstof voor het vergistingsproces. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de leveranciers van deze producten zich daarvan ontdoen of moeten ontdoen, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, en dat deze producten daarom zijn aan te merken als afvalstoffen.

Uit de aanvraag noch de aanvullingen daarop kan worden opgemaakt met welke hoeveelheden van welk product is beoogd te werken en welke van de producten zijn aan te merken als afvalstof. Onder deze omstandigheden heeft het college zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat het bevoegd is op de aanvraag te beslissen, zodat het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb een zorgvuldige voorbereiding ontbeert.

2.5. Het beroep van [appellanten sub 3] is niet-ontvankelijk. De beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 8] zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond. De overige beroepen zijn gegrond. Het besluit van 17 juni 2008 komt voor vernietiging in aanmerking. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.6. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8] en [appellanten sub 9] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten ten aanzien van [appellant sub 4] en [appellant sub 7] is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 5], voor zover het ziet op lozingen vanwege de inrichting, en het beroep van [appellant sub 8], voor zover het niet ziet op de milieugevolgen vanwege de ontsluitingsweg, niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 8] voor het overige gegrond;

IV. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 6], [appellant sub 7], en [appellanten sub 9] gegrond;

V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Pekela van 17 juni 2008, kenmerk 20082402;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellante sub 1] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 368,79 (zegge: driehonderdachtenzestig euro en negenenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellanten sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellant sub 5] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellant sub 6] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellant sub 6] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellant sub 8] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Pekela tot vergoeding van bij [appellanten sub 9] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Pekela aan [appellanten sub 9] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VII. gelast dat de gemeente Pekela aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellante sub 1], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 4], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 5], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 6], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 7], € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 8], en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 9] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

159-489.