Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200806342/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winschoten (hierna: het college) aan [appellante sub 2] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee winkelgebouwen met vijf winkelunits aan de [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2009, 93
JOM 2010/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806342/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Winschoten,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 juli 2008 in zaak nr. 06/1257 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Formido B.V., gevestigd te Nijkerk, en [wederpartij], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Winschoten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Winschoten (hierna: het college) aan [appellante sub 2] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase verleend voor het oprichten van twee winkelgebouwen met vijf winkelunits aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 25 juli 2006 heeft het college het door Formido B.V. en [wederpartij] (hierna: Formido en [wederpartij]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2008, verzonden op 10 juli 2008, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door Formido en [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 juli 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2008, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep van [appellante sub 2] zijn aangevuld bij brief van 17 september 2008.

Formido en [wederpartij] hebben een verweerschrift ingediend.

Formido en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen en M. van der Werff, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door R.T.H. van Amerongen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Formido en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. D.M. Schreuders respectievelijk [gemachtigde], beide bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan, dat onderdeel uitmaakt van het project "Themacentrum Wonen", heeft betrekking op de realisering van een woonboulevard aan de [locatie], bestaande uit vijf winkeleenheden die worden gevestigd in twee gebouwen. In een van deze winkeleenheden is een bouwmarkt voorzien.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank het beroep van Formido en [wederpartij] niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat Formido en [wederpartij] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij de verlening van de vrijstelling en bouwvergunning, voor zover deze geen betrekking heeft op de bouwmarkt.

2.3. Dit betoog faalt. Het besluit van 23 februari 2005 heeft betrekking op één bouwplan, dat vestiging van detailhandel mogelijk maakt. Het feit dat Formido en [wederpartij] hun belang ontlenen aan de oprichting van een bouwmarkt, maakt niet dat hun beroep daartoe zou moeten worden beperkt en niet zou gelden voor het besluit in zijn geheel. De rechtbank heeft het beroep van Formido en [wederpartij] terecht ontvankelijk verklaard.

2.4. Het college en [appellante sub 2] bestrijden het oordeel van de rechtbank dat het college voor de ruimtelijke onderbouwing van het besluit op bezwaar van 25 juli 2006 niet heeft kunnen volstaan met het rapport "Distributie-planologisch onderzoek Woonboulevard" van Droog Trommelen Broekhuis B.V. (hierna: DTB) van 26 juni 2003 (hierna: het rapport) en de brief van DTB van 3 maart 2004. Daartoe voeren zij aan dat met de notitie "Analyse doe-het-zelfbranche Winschoten" van Goudappel Coffeng B.V. van 3 november 2003 en de aanvulling daarop van 12 mei 2005 (hierna: de notitie), welke stukken door Formido en [wederpartij] in geding zijn gebracht, niet aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de verwezenlijking van de in het project voorziene bouwmarkt, een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in Winschoten zal plaatsvinden.

2.4.1. In het rapport is, voor zover thans van belang, aangegeven dat een uitbreidingsruimte voor bouwmarkten in Winschoten bestaat van ongeveer 2.700 m² aan verkoopvloeroppervlak. Deze marktruimte kan volgens het rapport worden ingezet voor toevoeging van een bouwmarkt van circa 3.000 m² bruto vloeroppervlak (hierna: b.v.o.) of voor een zodanige uitbreiding en verplaatsing van een bestaande bouwmarkt in Winschoten. Onder verwijzing naar de conclusie van het rapport heeft het college aan de bij besluit van 23 februari 2005 verleende vrijstelling de voorwaarde verbonden dat op het perceel een nieuwe bouwmarkt van maximaal 3.000 m² b.v.o. mag worden gevestigd, dan wel dat een bestaande bouwmarkt in Winschoten mag worden verplaatst naar het perceel en uitgebreid met maximaal 3.000 m² b.v.o. In de notitie is, voor zover thans van belang, aangegeven dat in de gemeente Winschoten slechts een uitbreidingsruimte voor bouwmarkten bestaat van 800 m² aan verkoopvloeroppervlak. De conclusies van het rapport en de notitie verschillen derhalve van elkaar. Naar niet in geschil is, is dit het gevolg van de verschillende aannames die in het rapport en de notitie worden gehanteerd ten aanzien van het te verwachten inwonertal van de gemeente Winschoten en de gemiddelde vloeromzet.

2.4.2. Met de notitie is gerede twijfel gezaaid over de juistheid van de in het rapport gehanteerde aannames en daarop gebaseerde conclusies.

Daarbij is van belang dat in het rapport onvoldoende is gemotiveerd waarom, in afwijking van het landelijk gemiddelde van circa € 1.500,- per m² wordt uitgegaan van een gemiddelde vloeromzet van € 1.100,- per m² verkoopvloeroppervlakte. Het in het rapport neergelegde uitgangspunt dat de gemiddelde huisvestingslasten en loonkosten voor bouwmarkten in Noordoost-Groningen lager zijn dan in de rest van Nederland, is, gelet op het aanzienlijke onderlinge verschil, daarvoor onvoldoende. Dit geldt evenzeer voor de verwijzing naar de gemiddelde vloeromzet van de bedrijven Praxis, Formido en Brico in het jaarverslag van Koninklijke Vendex KBB van 2002-2003, nu ter zitting is gebleken dat in de daarin vermelde gemiddelde vloeromzet van € 1.250,- per m² niet de omzetbelasting is begrepen.

Voorts is in het rapport aangegeven dat ongeveer de helft van de in het project voorziene winkeleenheden zal worden ingevuld met bestaande aanbieders uit het verzorgingsgebied van de gemeente Winschoten. Niet gebleken is echter, of bij die aanbieders voldoende animo bestaat voor een zodanige verplaatsing en wat gebeurt met de vrijkomende locaties die deze aanbieders achterlaten.

Verder is het in het rapport vervatte uitgangspunt dat de bestedingen in de doe-het-zelf branche de komende jaren zullen toenemen, onvoldoende met onderzoeksgegeven onderbouwd en blijkt uit het rapport "Beleidsvisie detailhandel" van DTB van 11 september 2001 dat in de komende jaren in de woning- en doe-het-zelf-branche nagenoeg geen economische uitbreidingsruimte in Winschoten aanwezig zal zijn.

Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit op bezwaar van 25 juli 2006 niet deugdelijk is gemotiveerd. Het betoog faalt.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van hetgeen in de aangevallen uitspraak en in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling wijst er daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2009, in zaak nr. 200808122/1, op dat voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in een bepaalde sector geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de vraag of er sprake is van overaanbod en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar aan de vraag of voor de inwoners van de gemeente een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaarbare afstand van hun woonplaats hun geregelde inkopen kunnen doen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

190-543.