Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9703

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808917/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.E.L. B.V. (hierna: C.E.L.) geëxploiteerde horeca-inrichting "Blue Parrot", gevestigd aan het Stratumseind 28-30 te Eindhoven (hierna: de horeca-inrichting), voor drie weken gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808917/1/H3.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.E.L. B.V., gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 december 2008 in zaak nrs. 08/3732 en 08/3734 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.E.L. B.V.

en

de burgemeester van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft de burgemeester van Eindhoven (hierna: de burgemeester) de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C.E.L. B.V. (hierna: C.E.L.) geëxploiteerde horeca-inrichting "Blue Parrot", gevestigd aan het Stratumseind 28-30 te Eindhoven (hierna: de horeca-inrichting), voor drie weken gesloten.

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft de burgemeester het door C.E.L. daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de duur van de sluiting, het besluit van 15 juli 2008 in zoverre herroepen, de duur van de sluiting teruggebracht tot een week en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) in de bodemzaak het door C.E.L. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft C.E.L. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 december 2008, hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2009, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers, ambtenaar in dienst van de gemeente Eindhoven, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven.

Ingevolge het derde lid is de burgemeester belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.

Ingevolge artikel 2.3.1.5, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de APV) kan, voor zover thans van belang, de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor één of meer horecabedrijven tijdelijke sluiting bevelen.

2.1.1. De burgemeester voert ten aanzien van horecabedrijven een handhavingsbeleid, dat is neergelegd in het zogenoemde Horecastappenplan 2003. De paragrafen 11 en 12 van het Horecastappenplan 2003 zien op de verstoring van de openbare orde.

Volgens paragraaf 11 van het Horecastappenplan 2003, voor zover thans van belang, worden, indien ten gevolge van de exploitatie van een inrichting de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid in of nabij deze inrichting wordt verstoord, of dit op voorhand redelijkerwijs mag worden aangenomen, op grond van onder meer de APV de volgende stappen genomen:

- Bij de eerste overtreding maakt de politie een proces-verbaal op van de overtreding. De leidinggevende wordt door het bevoegde bestuursorgaan schriftelijk gewaarschuwd.

[…]

Volgens paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003, voor zover thans van belang, kan door de burgemeester direct tot sluiting van de inrichting worden besloten, indien er sprake is van een ernstig incident en/of ernstige verstoring van de openbare orde dan wel dreigende ernstige verstoring van de openbare orde. Het horecastappenplan is (lees: de in paragraaf 11 van het Horecastappenplan 2003 omschreven stappen zijn) in dat geval niet van toepassing. De duur van de sluiting van de inrichting is gesteld op maximaal twaalf maanden.

2.2. De burgemeester heeft aan het besluit van 15 juli 2008 ten grondslag gelegd dat in de nacht van 8 op 9 mei 2008 in de directe nabijheid van de horeca-inrichting de bedrijfsleider van de horeca-inrichting onnodig geweld heeft gebruikt tegen een persoon, als gevolg waarvan deze persoon gewond is geraakt. Naar het oordeel van de burgemeester is dit een ernstig incident en een ernstige verstoring van de openbare orde. Derhalve is de burgemeester op grond van paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003 overgegaan tot een tijdelijke sluiting van de horeca-inrichting voor een periode van drie weken.

Bij het besluit op bezwaar van 2 oktober 2008 heeft de burgemeester het standpunt gehandhaafd dat er sprake is van een ernstig incident en een ernstige verstoring van de openbare orde, zodat terecht toepassing is gegeven aan paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003. Bij dit besluit heeft de burgemeester de sluitingsduur teruggebracht tot een week.

2.3. C.E.L. betoogt dat de voorzieningenrechter, door slechts te overwegen dat de burgemeester een ruime mate van vrijheid toekomt bij de beoordeling van de ernst van de ordeverstoring, heeft miskend dat de burgemeester niet heeft gemotiveerd waarom hij het incident als dusdanig ernstig heeft aangemerkt dat paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003 mocht worden toegepast. Tevens heeft de burgemeester volgens C.E.L. bij het besluit van 2 oktober 2008 niet gemotiveerd waarom hij bij het besluit van 15 juli 2008 een sluiting voor de duur van drie weken gerechtvaardigd achtte en thans een sluiting voor de duur van een week.

2.3.1. Het betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft met juistheid overwogen dat de burgemeester bij de kwalificatie van een incident als ernstig beoordelingsruimte toekomt en dat de burgemeester het betreffende incident in redelijkheid als ernstig heeft kunnen aanmerken. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking mogen nemen dat niet in geschil is dat de bedrijfsleider van de horeca-inrichting een persoon ten minste eenmaal heeft geslagen en daarbij ernstig letsel heeft toegebracht.

De Afdeling volgt C.E.L. niet in haar betoog dat de burgemeester het besluit van 2 oktober 2008 niet heeft gemotiveerd. In het advies van de Commissie voor bezwaarschriften, waarnaar de burgemeester in het besluit van 2 oktober 2008 verwijst, staat dat het incident als ernstig wordt aangemerkt gezien de ernst van de verwondingen, waarbij zwaar weegt dat het de bedrijfsleider van de horeca-inrichting is die het letsel heeft toegebracht. In dit advies is eveneens gemotiveerd dat de sluiting is teruggebracht tot een week, omdat een sluitingsduur van drie weken niet in verhouding staat tot de duur van andere sluitingen van horeca-inrichtingen en de ernst van de daaraan ten grondslag liggende incidenten, en omdat C.E.L. niet eerder een bestuurlijke maatregel opgelegd heeft gekregen en de betreffende bedrijfsleider niet eerder betrokken is geweest bij een soortgelijk incident. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het de burgemeester, gelet op de volledige heroverweging die op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in bezwaar dient plaats te vinden, vrij staat om de duur van de sluiting terug te brengen tot een week. Hieraan doet niet af dat C.E.L. reeds voor het besluit van 15 juli 2008 had aangeboden vrijwillig een week te willen sluiten en deze sluiting thans niet meer kan plaatsvinden in de voor C.E.L. minst belastende periode, aangezien in bezwaar het besluit zelf en niet de tenuitvoerlegging daarvan ter heroverweging voorligt.

2.4. Aangezien de burgemeester het incident in redelijkheid als ernstig heeft kunnen aanmerken, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de burgemeester bevoegd was om overeenkomstig het in paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003 neergelegde beleid, een tijdelijke sluiting te bevelen. De voorzieningenrechter heeft eveneens met juistheid overwogen dat dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onaanvaardbaar is.

Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de burgemeester bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot een sluiting van een week heeft kunnen komen. Mede gelet op het feit dat deze maatregel voor C.E.L. een tijdelijk en relatief beperkt gevolg heeft, kan niet worden geconcludeerd dat de burgemeester het belang van de openbare orde niet mocht laten prevaleren boven de nadelige (financiële) gevolgen die het opleggen van de maatregel voor C.E.L. heeft.

2.5. Nu het oordeel van de voorzieningenrechter wordt bevestigd, heeft C.E.L. geen zelfstandig belang meer bij toetsing van de vraag of de voorzieningenrechter terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 8:86 van de Awb. Ten aanzien van het betoog van C.E.L. dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 december 2008 in zaak nr. 08/3538 (LJN BG6448) blijkt dat een voorlopige voorzieningenprocedure zich niet leent voor de beantwoording van de vraag of een incident als dusdanig ernstig kan worden aangemerkt dat tot sluiting op grond van paragraaf 12 van het Horecastappenplan 2003 kan worden overgegaan, overweegt de Afdeling dat bij de voorzieningenrechter in die zaak twijfel bestond over de vraag of de burgemeester het incident in redelijkheid als ernstig had kunnen aanmerken, hetgeen in deze zaak bij de voorzieningenrechter niet het geval was, omdat het andere feiten en omstandigheden betrof. Zoals in het voorgaande reeds is overwogen, is het oordeel van de voorzieningenrechter dienaangaande juist.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

350-611.