Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200807517/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van een door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807517/1/H3.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 augustus 2008 in zaak nr. 07/2902 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2007 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van een door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat geweigerd.

Bij besluit van 13 september 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 augustus 2008, verzonden op 2 september 2008, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 november 2008.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. L.J.P. Selders, advocaat te Nieuwegein, en de minister, vertegenwoordigd door mr. N. Koorn, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een verklaring omtrent het gedrag een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, wordt bij de aanvraag om een chauffeurspas een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg verleende verklaring omtrent het gedrag overgelegd, die niet ouder is dan twee maanden.

2.2. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving past de minister de Beleidsregels VOG NP-RP 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de circulaire) toe, vastgesteld bij besluit van de minister van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63).

Volgens paragraaf 3.1 van de circulaire, voor zover thans van belang, wordt een VOG zonder meer afgegeven indien de aanvrager vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing, zijnde de datum van beoordeling van de aanvraag, niet voorkomt in de justitiële documentatie, tenzij sprake is van zedendelicten zoals bedoeld in artikel 240b tot en met artikel 250 Wetboek van Strafrecht. In die gevallen mag, zo staat in dezelfde paragraaf, langer dan 20 jaar worden teruggekeken. Volgens paragraaf 3.2.2 van de circulaire wordt de afgifte van een VOG geweigerd, indien in het justitiële documentatieregister met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd.

Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen voor de afgifte van de VOG zijn in bijlage A bij de circulaire een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.

Volgens het screeningsprofiel, opgenomen in bijlage A van de circulaire, is de taxichauffeur belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In die functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. De chauffeur in het (straat)taxivervoer gaat daarnaast met contante en girale waarden om. Eén van de risico's in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen, bijvoorbeeld in geval van dronkenschap of agressief rijgedrag. Voorts bestaat onder meer het gevaar van machtsmisbruik, afpersing, afdreiging, diefstal of verduistering en vervalsing van bijvoorbeeld taxipassen, aldus dat profiel.

Volgens paragraaf 3.2.1 van de circulaire spelen bij de beoordeling van de aanvraag het objectieve criterium en het subjectieve criterium een rol.

Volgens paragraaf 3.2.2 (de objectieve criteria) wordt de afgifte van een VOG geweigerd, indien in het justitiële documentatieregister met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit voorkomt, dat indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de taak of bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 (de subjectieve criteria) kunnen bijzondere omstandigheden slechts een corrigerende functie hebben voor het concrete geval. Onder deze omstandigheden kan worden verstaan, voor zover thans van belang, de zwaarte van het delict (misdrijf of overtreding), de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, maar ook de vraag in hoeverre recidive waarschijnlijk is. De hoeveelheid antecedenten, de periode tussen de verschillende antecedenten en ook het tijdsverloop van het antecedent spelen een rol.

2.3. De minister heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat [appellant] bij vonnis van 12 mei 1999 onherroepelijk is veroordeeld wegens een zedendelict tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en 240 uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte.

2.4. [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister tot deze weigering heeft kunnen komen. Hij kan zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat het feit dat het voorval, waarvoor hij is veroordeeld, destijds niet in een werkomgeving of tijdens een werksituatie heeft plaatsgevonden, niet ter zake doet. Anders dan de rechtbank heeft verondersteld zal, aldus [appellant], tijdens zijn werkzaamheden niet de situatie ontstaan van een één op één relatie of van tijdelijke afhankelijkheid omdat hij slechts een chauffeursdiploma taxi beperkt bezit. Ten slotte stelt hij dat de rechtbank onvoldoende ingaat op zijn argument dat hij eerder wel een VOG heeft gekregen ten behoeve van de functie van afdelingsinspecteur bij de Dierenbescherming.

2.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 januari 2007 in zaak nr. 200606020/1) is de omstandigheid dat strafbare feiten zich niet hebben voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren in een werkomgeving of werksituatie, niet van doorslaggevend belang. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het erom gaat of het strafbare feit op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat.

Onweersproken is dat een chauffeursdiploma 'taxi beperkt' kan worden omgezet in een volledig diploma, waarbij, zo is niet betwist, wel één op één relaties of tijdelijke afhankelijkheid kunnen ontstaan, zonder dat een nieuwe VOG dient te worden aangevraagd. Gelet hierop heeft de minister, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, terecht getoetst aan het screeningsprofiel 'taxibranche; taxichauffeur' als opgenomen in bijlage A van de circulaire. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 september 2007 in zaak nr. 200700615/1) is het hierin verwoorde beleid niet onredelijk. Gelet op het feit dat [appellant] is veroordeeld voor een zedendelict is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister in redelijkheid tot het standpunt heeft kunnen komen dat ten aanzien van [appellant] sprake is van het risico als bedoeld in artikel 35 van de Wjsg en zoals uitgewerkt in de circulaire. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat zich zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat de minister niettemin tot afgifte van een VOG had moeten besluiten. Evenmin kan de omstandigheid dat [appellant] in 2004 wel een VOG heeft gekregen ten behoeve van de functie van afdelingsinspecteur bij de Dierenbescherming daartoe leiden. De minister heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat voor iedere aanvraag een afzonderlijke afweging moet worden gemaakt.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister de afgifte van de gevraagde VOG heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

290.