Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9684

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808708/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren 2007 (Stcrt. 2006, 220; hierna: de Afbouwregeling 2007) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808708/1/H2.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Domestica, gevestigd te Heerlen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 oktober 2008 in zaak nr. 07/1903 in het geding tussen:

de stichting Stichting Domestica

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren 2007 (Stcrt. 2006, 220; hierna: de Afbouwregeling 2007) vastgesteld.

Bij besluit van 20 september 2007 heeft de staatssecretaris het door de stichting Stichting Domestica (hierna: Domestica) daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 oktober 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het door Domestica daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Domestica bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 31 december 2008.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2009, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. de Pater-Koorn, ambtenaar in dienst van het Agentschap Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Kaderwet SZW-subsidies kan de minister subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het werkgelegenheidsbeleid en het arbeidsmarktbeleid.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen onverminderd hoofdstuk 3 van de Financiële-verhoudingswet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij regeling van de minister ter zake van de verstrekking van subsidie regels worden gesteld met betrekking tot de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt en wie daarvoor in aanmerking komt.

Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies is de Regeling schoonmaakdiensten particulieren (Stcrt. 1997, 244; hierna: de RSP) alsmede de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005 (Stcrt. 2005, 133; hierna: de RSP 2005) vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren 2007 (Stcrt. 2006, 220; hierna: de Afbouwregeling 2007), voor zover thans van belang, verleent de minister op aanvraag aan een werkgever gedurende het kalenderjaar 2007 een subsidie als bijdrage in de loonkosten van zijn werknemer.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, wordt de RSP 2005 met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken.

Ingevolge het tweede lid blijft, in afwijking van het eerste lid, de RSP 2005, zoals deze luidde op 31 december 2006, van toepassing op de afwikkeling van de subsidie, bedoeld in die regeling.

2.2. Bij het besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris het door Domestica tegen het besluit van 8 november 2006 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit een algemeen verbindend voorschrift inhoudt, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat.

2.3. Domestica komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de Afbouwregeling 2007 als een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften moet worden aangemerkt. Voorts betoogt Domestica dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het gaat om een doorlopende subsidieverstrekking en dat de staatssecretaris ingevolge artikel 4:50, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet bevoegd was de op grond van de RSP 2005 toegekende subsidie te beëindigen. De staatssecretaris heeft voorts ten onrechte geen schadevergoeding ingevolge het tweede lid van de hiervoor genoemde bepaling toegekend, aldus Domestica.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

2.3.2. Zowel de RSP 2005 als de Afbouwregeling 2007 zijn vastgesteld door het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe ontleent aan artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies. Voorts bevatten de RSP 2005 en de Afbouwregeling 2007 naar buiten werkende, voor alle aanvragers van de desbetreffende subsidie bindende, algemene regels die zich voor herhaalde, concrete toepassing lenen.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat het besluit van 8 november 2006 inhoudende de vaststelling van de Afbouwregeling 2007 als algemeen verbindend voorschrift heeft te gelden, waartegen, gezien artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, geen beroep openstond.

Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar van Domestica tegen het besluit van 8 november 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu daartegen, gezien artikel 7:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, geen bezwaar openstond.

Voor zover Domestica betoogt dat de staatssecretaris de op grond van de RSP 2005 aan haar toegekende subsidie in strijd met artikel 4:50, eerste en tweede lid, van de Awb heeft beëindigd, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven, reeds omdat het tot Domestica gerichte besluit tot beëindiging van die subsidie in het onderhavige geding niet ter beoordeling voorligt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. K.J.M. Mortelmans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

58/85-505.