Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200809456/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 augustus 2008 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4448
JAF 2009/56 met annotatie van Van der Meijden
JOM 2009/675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200809456/1/M1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) zijn beslissing om op 6 augustus 2008 jegens [appellante] spoedeisende bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 26 november 2008 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. el Fizazi en V. van Beek, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In artikel 20, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2008 (hierna: de Afvalstoffenverordening 2008) is bepaald dat het college de dagen vaststelt waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden. Ingevolge het tweede lid moeten huishoudelijke afvalstoffen, met uitzondering van grof huishoudelijk afval, die via een inzamelmiddel voor gebruikers van een perceel worden ingezameld, ter inzameling worden aangeboden tussen 6.00 uur en het tijdstip van inzamelen op de krachtens het eerste lid aangewezen dagen. Ingevolge het derde lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het eerste en in het tweede lid is bepaald.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2008 wordt, indien degene die feitelijk handelt of heeft gehandeld in strijd met deze paragraaf ten aanzien van het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen onbekend is of onbekend is gebleven, de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid geacht te hebben gehandeld in strijd met de desbetreffende bepalingen in deze verordening.

Ingevolge het tweede lid geldt het bepaalde in het voorgaande lid niet indien deze persoon aantoont dat:

a. door hem voldoende zorg voor het milieu in acht is genomen; of

b. hij niet als overtreder kan worden aangemerkt.

Ingevolge het derde lid houdt de zorg, bedoeld in het tweede lid, in ieder geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is zodanig te handelen dat die gevolgen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Ingevolge artikel 6, aanhef, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen gemeente Rotterdam (hierna: het Uitvoeringsbesluit) moet het overdragen of aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in vuilniszakken of minicontainers ordelijk geschieden door plaatsing daarvan op een krachtens bijlage 5 (Inzameldagenboek) vastgestelde inzameldag, op een voor de inzamelvoertuigen toegankelijke plaats.

Ingevolge bijlage 5 (Inzameldagenboek) is voor zover hier van belang - donderdag de dag waarop in de [locatie] huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst mogen worden overgedragen of ter inzameling mogen worden aangeboden.

2.2. De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een zwarte zak met huishoudelijke afvalstoffen, die op woensdag 6 augustus 2008 is aangetroffen op de openbare weg naast een container gelegen aan de [locatie], ter hoogte van nummer [..], te [plaats]. Volgens het college zijn deze huishoudelijke afvalstoffen, blijkens daarin aangetroffen materiaal met naam- en adresgegevens van [appellante], afkomstig van [appellante] en heeft zij deze in strijd met artikel 20 van de Afvalstoffenverordening 2008 ter inzameling aangeboden.

2.3. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aangetroffen huishoudelijke afvalstoffen door haar ter inzameling zijn aangeboden. Zij betoogt dat zij huishoudelijke afvalstoffen altijd in de buurt van haar woning aanbiedt en nooit op de op 300 meter van haar woning gelegen locatie aan de [locatie], ter hoogte van nummer [..]. [appellante] vermoedt dat het poststuk met reclamemateriaal waarschijnlijk verkeerd is bezorgd en dat door een derde de huishoudelijke afvalstoffen op onjuiste wijze zijn aangeboden. Evenmin sluit [appellante] uit dat haar ex-echtgenoot aan haar gerichte poststukken heeft ontvreemd en verantwoordelijk is voor de aangetroffen huishoudelijke afvalstoffen.

2.4. Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.4.1. Voor zover het college heeft betoogd dat de afstand tussen het woonadres van [appellante] en de plaats waar de gestelde overtreding is begaan geen criterium is voor de toerekening van huishoudelijke afvalstoffen, overweegt de Afdeling - onder verwijzing naar haar uitspraken van 17 september 2008 in zaak nr. 200802596/1 en in zaak nr. 200802412/1 - dat, hoewel deze afstand op zichzelf geen criterium is voor de toerekening van huishoudelijke afvalstoffen, dit niet betekent dat aan die omstandigheid in het geheel geen betekenis zou toekomen.

2.4.2. In de op woensdag 6 augustus 2008 aangetroffen zwarte zak is post aangetroffen waarop de naam en het adres van [appellante] zijn vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de huishoudelijke afvalstoffen niet van haar afkomstig waren. Evenmin is aannemelijk geworden dat deze afvalstoffen door een ander dan [appellante] zijn aangeboden.

2.4.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder van artikel 20, derde lid, van de Afvalstoffenverordening 2008 in samenhang met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit heeft aangemerkt.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

191-209.