Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9681

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200708144/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap E.On Benelux N.V. (hierna: E.On) een deelrevisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nieuwe installatie voor de productie van elektriciteit door middel van het stoken van voornamelijk kolen, gelegen op het perceel Coloradoweg 10 te Rotterdam. Dit besluit is op 1 november 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200708144/2/M1.

Datum uitspraak: 19 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Natuur en Milieu en de stichting Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, gevestigd te Utrecht onderscheidenlijk Rotterdam,

2. de stichting Stichting Greenpeace Nederland, gevestigd te Amsterdam,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de naamloze vennootschap E.On Benelux N.V. (hierna: E.On) een deelrevisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nieuwe installatie voor de productie van elektriciteit door middel van het stoken van voornamelijk kolen, gelegen op het perceel Coloradoweg 10 te Rotterdam. Dit besluit is op 1 november 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting Stichting Natuur en Milieu en de stichting Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie (hierna: Natuur en Milieu en de Milieufederatie) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 december 2007, en de stichting Stichting Greenpeace Nederland (hierna: Greenpeace) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 december 2007, beroep ingesteld. Greenpeace heeft haar beroep aangevuld bij brief van 7 januari 2008.

De Afdeling heeft de beroepen ter zitting behandeld op 6 oktober 2008.

Bij uitspraak van 29 april 2009, nr. 200708144/1/M1, heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op een aantal vragen en de behandeling van de beroepen geschorst.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hebben Natuur en Milieu en de Milieufederatie de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2009, heeft Greenpeace de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 8 juni 2009, waar Natuur en Milieu en de Milieufederatie, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, Greenpeace, vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en mr. M.M. Baretta, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.E. in ’t Veld, mr. B.J.M. Verras en ir. J.S.A. Dekker, allen werkzaam bij DCMR Milieudienst Rijnmond, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord E.On, vertegenwoordigd door mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda, ir. E. Noks, mr. J.C.P. Schoenmakers, A.P. Blankenspoor, H.J. Compter, ir. J.R. Bloembergen en J.F.M. van Dijk.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Natuur en Milieu en de Milieufederatie en Greenpeace voeren aan dat de bouw van de nieuwe kolengestookte installatie voor de productie van elektriciteit thans zo ver gevorderd is, dat op korte termijn een situatie dreigt te ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is. In verband hiermee betogen Natuur en Milieu en de Milieufederatie en Greenpeace dat voor onder meer stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxide (SO2) strengere emissiegrenswaarden aan de vergunning moeten worden verbonden, die verder gaan dan hetgeen voortvloeit uit de toepassing van de beste beschikbare technieken. Zij vrezen echter dat de bouw binnen afzienbare tijd zo ver gevorderd zal zijn, dat het niet meer mogelijk zal zijn technische aanpassingen aan de installatie aan te brengen om aan dergelijke strengere emissie-eisen te voldoen. Voorts stellen Natuur en Milieu en de Milieufederatie dat, nu is gestart met de bouw van de installatie, op korte termijn belangrijke investeringsbeslissingen met grote financiële gevolgen zullen worden genomen. Ook hierdoor dreigt volgens Natuur en Milieu en de Milieufederatie een onomkeerbare situatie te ontstaan.

Daarnaast voeren Natuur en Milieu en de Milieufederatie en Greenpeace aan dat de emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting schadelijke gevolgen zullen hebben voor enkele nabij de inrichting gelegen Natura 2000-gebieden, onder meer door overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzurende stoffen. Ook zullen de emissies vanuit de inrichting volgens hen een overschrijding veroorzaken van de voor Nederland vastgestelde nationale emissieplafonds voor NOx en SO2 die in richtlijn 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (hierna: de NEC-richtlijn) zijn neergelegd. Voorts leiden de emissies van fluoriden volgens Natuur en Milieu en de Milieufederatie en Greenpeace tot een overschrijding van de daggemiddelde MTR-waarde voor fluoriden in de omgeving van de inrichting. Greenpeace betoogt dat de vergunning, gelet op het voorgaande, in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven.

2.3. Het college betoogt dat de situatie thans niet wezenlijk verschilt van de situatie ten tijde van de tussenuitspraak van de Afdeling van 29 april 2009, waarbij een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen. Op dit moment wordt volgens het college nog altijd geen zodanig gebruik van de vergunning gemaakt, dat op korte termijn sprake zal zijn van een in de praktijk onomkeerbare situatie. Voorts is volgens het college niet gebleken dat ingrijpende wijzigingen in het ontwerp van de installatie zullen moeten worden aangebracht die na de bouw van de installatie niet meer kunnen worden gerealiseerd.

Met betrekking tot de emissies vanuit de inrichting betoogt het college in de eerste plaats dat de effecten van de emissies op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitsluitend in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen te worden beoordeeld. Bij de beoordeling van het besluit tot vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer kunnen deze effecten volgens het college dan ook geen rol spelen. Voor zover het Natura 2000-gebieden betreft die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet onder de werking van de Natuurbeschermingswet 1998 vielen, dienen de gevolgen voor deze gebieden - na een wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 die op 1 februari 2009 in werking is getreden - bij een eventuele vernietiging van het bestreden besluit alsnog in het kader van die wet te worden beoordeeld.

Verder stelt het college dat de voor Nederland vastgestelde emissieplafonds voor NOx en SO2 op grond van de NEC-richtlijn volgens nieuwe voorspellingen, neergelegd in het rapport "Realisatie Milieudoelen. Voortgangsrapport 2009" van het Planbureau voor de Leefomgeving van mei 2009, in 2010 niet zullen worden overschreden. Het college stelt voorts dat, op grond van een nog niet gepubliceerd conceptrapport van het Planbureau voor de Leefomgeving, kan worden verwacht dat de totale emissies van NOx en SO2 in Nederland in de periode tot 2020 verder zullen afnemen.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in april 2008 een begin is gemaakt met de bouw van de installatie.

Tussen partijen is niet in geschil dat de emissiegrenswaarden voor NOx en SO2 die in de vergunningvoorschriften zijn neergelegd, vallen binnen de range van emissiegrenswaarden die volgens het BREF-document Reference Document on Best available Techniques for Large Combustion Plants (BREF Grote Stookinstallaties) voor een installatie als de onderhavige overeenkomen met de toepassing van de beste beschikbare technieken. Gelet op hetgeen hierover ter zitting door E.On desgevraagd naar voren is gebracht, acht de voorzitter het aannemelijk dat, indien uit de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure zou volgen dat aan de vergunning niettemin strengere emissiegrenswaarden voor deze stoffen moeten worden verbonden, de daarvoor benodigde maatregelen - meer in het bijzonder uitbreiding van de DeNox-installatie en uitbreiding van de rookgasreiniging ter vermindering van de SO2-emissie - technisch en ruimtelijk kunnen worden ingepast in de inrichting zoals die thans is ontworpen en wordt gebouwd. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat in zoverre niet hoeft te worden gevreesd dat door de voortzetting van de bouw een situatie zal ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is. Dat aan de eventuele aanpassingen hoge kosten voor E.On verbonden kunnen zijn, maakt dit naar het oordeel van de voorzitter niet anders.

2.4.1. Ten aanzien van de investeringsbeslissingen overweegt de voorzitter dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat deze beslissingen in hoofdzaak reeds voor aanvang van de bouw zijn genomen. Reeds hierom bestaat ook in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat door de verdere voortzetting van de bouw een situatie zal ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is.

2.4.2. Voor zover Natuur en Milieu en de Milieufederatie en Greenpeace betogen dat de emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting zullen leiden tot overschrijding van de emissieplafonds op grond van de NEC-richtlijn en van de MTR-waarden voor fluoriden en tot schade aan Natura 2000-gebieden door overschrijding van de kritische depositiewaarden voor die gebieden, overweegt de Afdeling het volgende. Ter zitting is door E.On onweersproken gesteld dat de elektriciteitscentrale naar verwachting eerst in 2012 in bedrijf zal worden genomen. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat voor dat tijdstip geen relevante emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting zullen plaatsvinden.

2.4.3. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009

483.