Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9680

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200800181/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan RWE Power AG (hierna: RWE) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een elektriciteitscentrale (2 x 800 MWe) op poederkool en biomassa op het industrieterrein Eemshaven te Eemsmond. Dit besluit is op 17 december 2007 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ruimtelijk Bestuursrecht 2009/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200800181/2/M1.

Datum uitspraak: 19 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht, en andere,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) aan RWE Power AG (hierna: RWE) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een elektriciteitscentrale (2 x 800 MWe) op poederkool en biomassa op het industrieterrein Eemshaven te Eemsmond. Dit besluit is op 17 december 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting Stichting Natuur en Milieu en andere (hierna: Natuur en Milieu e.a.) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2008, beroep ingesteld. Natuur en Milieu e.a. hebben hun beroep aangevuld bij brief van 18 januari 2008.

De Afdeling heeft de beroepen ter zitting behandeld op 25 november 2008.

Bij uitspraak van 29 april 2009, nr. 200800181/1/M1, heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op een aantal vragen en de behandeling van de beroepen geschorst.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 mei 2009, hebben Natuur en Milieu e.a. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juni 2009, waar Natuur en Milieu e.a., vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.M. Opheikens en ing. W.J.W. Snippe, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord RWE, vertegenwoordigd door mr. D.N. Broerse, advocaat te Amsterdam, dr. J.P. Hannes, ir. drs. J.R. Bloembergen en ir. H. Morelisse.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Natuur en Milieu e.a. voeren aan dat de voorbereidingen voor de bouw van de elektriciteitscentrale waarop de vergunning betrekking heeft thans zo ver zijn gevorderd, dat op korte termijn een situatie dreigt te ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is. In verband hiermee betogen Natuur en Milieu e.a. in de eerste plaats dat voor onder meer stikstofoxiden (NOx) en zwaveldioxide (SO2) strengere emissiegrenswaarden aan de vergunning moeten worden verbonden, die verder gaan dan hetgeen voortvloeit uit de toepassing van de beste beschikbare technieken. Zij vrezen echter dat de bouw binnen afzienbare tijd zo ver gevorderd zal zijn, dat het niet meer mogelijk zal zijn technische aanpassingen aan de installaties aan te brengen om aan dergelijke strengere emissie-eisen te voldoen. Voorts stellen zij dat vanwege de start van de bouw op korte termijn belangrijke investeringsbeslissingen met grote financiële gevolgen zullen worden genomen. Ook hierdoor dreigt volgens Natuur en Milieu e.a. een onomkeerbare situatie te ontstaan.

Daarnaast voeren Natuur en Milieu e.a. aan dat de emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting schadelijke gevolgen zullen hebben voor enkele nabij de inrichting gelegen Natura 2000-gebieden, onder meer door overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzurende stoffen. Ook zullen de emissies vanuit de inrichting volgens hen een overschrijding veroorzaken van de voor Nederland vastgestelde nationale emissieplafonds voor NOx en SO2 die in richtlijn 2001/81/EG inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (hierna: de NEC-richtlijn) zijn neergelegd. Voorts leiden de emissies van fluoriden volgens Natuur en Milieu e.a. tot een overschrijding van de daggemiddelde MTR-waarde voor fluoriden in de omgeving van de inrichting.

2.3. Het college stelt zich op het standpunt dat geen spoedeisend belang bestaat bij het treffen van een voorlopige voorziening, omdat op korte termijn geen gebruik zal worden gemaakt van de vergunning. Het college stelt in dit verband dat de elektriciteitscentrale niet voor 2013 in werking zal worden gebracht. Het college betoogt verder dat op korte termijn geen sprake is van een onomkeerbare situatie, onder meer omdat op grond van de Wet milieubeheer zo nodig strengere maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden voorgeschreven.

Het college betoogt voorts dat de situatie thans niet wezenlijk verschilt van de situatie ten tijde van de tussenuitspraak van de Afdeling van 29 april 2009, waarbij een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is afgewezen.

Met betrekking tot de emissies vanuit de inrichting betoogt het college in de eerste plaats dat de effecten van de emissies op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitsluitend in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 dienen te worden beoordeeld. Bij de beoordeling van het besluit tot vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer kunnen deze effecten volgens het college dan ook geen rol spelen. Ook stelt het college dat de voor Nederland vastgestelde emissieplafonds voor NOx en SO2 op grond van de NEC-richtlijn volgens nieuwe voorspellingen, neergelegd in het rapport "Realisatie Milieudoelen. Voortgangsrapport 2009" van het Planbureau voor de Leefomgeving van mei 2009, in 2010 niet zullen worden overschreden.

2.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in oktober 2008 een begin is gemaakt met de bouw van de elektriciteitscentrale.

Tussen partijen is niet in geschil dat de emissiegrenswaarden voor NOx en SO2 die in de vergunningvoorschriften zijn neergelegd, vallen binnen de range van emissiegrenswaarden die volgens het BREF-document Reference Document on Best available Techniques for Large Combustion Plants (BREF Grote Stookinstallaties) voor een installatie als de onderhavige overeenkomen met de toepassing van de beste beschikbare technieken. Gelet op hetgeen hierover ter zitting door RWE desgevraagd naar voren is gebracht, acht de voorzitter het aannemelijk dat, indien uit de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure zou volgen dat aan de vergunning niettemin strengere emissiegrenswaarden voor deze stoffen moeten worden verbonden, de daarvoor benodigde maatregelen - meer in het bijzonder uitbreiding van de DeNox-installatie en uitbreiding van de rookgasreiniging ter vermindering van de SO2-emissie - technisch en ruimtelijk kunnen worden ingepast in de inrichting zoals die thans is ontworpen en wordt gebouwd. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat in zoverre niet hoeft te worden gevreesd dat door de voortzetting van de bouw een situatie zal ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is. Dat aan de eventuele aanpassingen hoge kosten voor RWE verbonden kunnen zijn, maakt dit naar het oordeel van de voorzitter niet anders.

2.4.1. Ten aanzien van de investeringsbeslissingen overweegt de voorzitter dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat deze beslissingen in hoofdzaak reeds voor aanvang van de bouw zijn genomen. Reeds hierom bestaat ook in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat door de verdere voortzetting van de bouw een situatie zal ontstaan die in de praktijk onomkeerbaar is.

2.4.2. Voor zover Natuur en Milieu e.a. betogen dat de emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting zullen leiden tot overschrijding van de emissieplafonds op grond van de NEC-richtlijn en van de MTR-waarden voor fluoriden en tot schade aan Natura 2000-gebieden door overschrijding van de kritische depositiewaarden voor die gebieden, overweegt de Afdeling het volgende. Door het college en RWE is onweersproken gesteld dat de elektriciteitscentrale naar verwachting eerst in 2013 in bedrijf zal worden genomen. Derhalve kan ervan worden uitgegaan dat voor dat tijdstip geen relevante emissies van NOx, SO2 en fluoriden vanuit de inrichting zullen plaatsvinden.

2.4.3. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Teuben

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2009

483.