Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808274/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de Raad) een aanvraag van [appellant] om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808274/1/H2.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2008 in zaak nr. 08/160 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2006 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam (hierna: de Raad) een aanvraag van [appellant] om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft de Raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 oktober 2008, verzonden op 8 oktober 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2008, hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Haarlem, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1˚ voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand, of

2˚ het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

2.2. De memorie van antwoord vermeldt bij dit artikel onder meer: "Het kan naar ons oordeel niet zo zijn dat de rechtsbijstandskosten die voortvloeien uit de bedrijfsvoering van de rechtzoekende worden afgewenteld op de overheid. Deelname aan het economisch leven brengt nu eenmaal risico's met zich. De ondernemer, of deze zelfstandige is of niet, kan voor dit soort risico's reserveren of zich verzekeren" (Kamerstukken II 1992/93, 22 609, nr. 6, blz. 12).

2.3. [appellant] heeft een uitzendbureau geëxploiteerd. Naar aanleiding van een boekenonderzoek bij [appellant] heeft de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Midden [appellant] medegedeeld dat hem voor het jaar 2005 een naheffingsaanslag omzetbelasting zou worden opgelegd met een boete. [appellant] wenst de boete te verhalen op zijn boekhouder die voor hem de aangifte omzetbelasting heeft gedaan. De toevoegingsaanvraag heeft daarop betrekking.

2.4. Bij het besluit van 4 december 2006, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 26 november 2007, heeft de Raad de toevoegingsaanvraag afgewezen, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft.

2.5. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe - onder verwijzing naar de tekst van en de memorie van antwoord betreffende artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb - overwogen dat het niet van belang is of [appellant] bedrijf al dan niet is beëindigd, maar slechts of het rechtsbelang ter zake waarvan hij om een toevoeging heeft verzocht voortvloeit uit het uitgeoefende bedrijf. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake, nu het gaat om een procedure tegen een boekhouder naar aanleiding van een door deze boekhouder gedane belastingaangifte ter zake van eisers bedrijf. Dat eiser nu in persoon een procedure voert tegen de boekhouder en persoonlijk de boete aan de belastingdienst heeft moeten betalen maakt dat niet anders.

2.6. In hoger beroep heeft [appellant] - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de kwestie op grond waarvan een toevoeging is aangevraagd, niet samenhangt met zijn onderneming. Alhoewel de onderneming nog wel staat ingeschreven, waren de werkzaamheden feitelijk namelijk al meer dan een jaar gestaakt toen de boekhouder de aangifte deed. De boekhouder handelde buiten hem om en heeft de auto van de zaak waarop de boete betrekking heeft gefingeerd, aldus [appellant].

2.7. Dit betoog faalt. In aansluiting bij de uitspraak van 10 april 2002 in zaak nr. <a target="_blank" href="http://433">200102114/1</a> overweegt de Afdeling dat uit de memorie van antwoord bij de Wrb volgt dat de woorden "rechtsbijstand die betrekking heeft op de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf" van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb, niet zo beperkt mogen worden uitgelegd als [appellant] voorstaat. Daarmee wordt namelijk gedoeld op elke rechtsbijstand die verband houdt met het bedrijf of beroep, ook indien de behoefte aan die rechtsbijstand niet voortvloeit uit handelen of nalaten van de ondernemer zelf maar een gevolg is van onrechtmatig handelen van een derde. De boete vloeit voort uit een teruggave omzetbelasting waarbij ten onrechte omzetbelasting is afgetrokken als voorbelasting. Het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, ziet dus op een belang dat is ontstaan in het kader van de uitoefening van een zelfstandig beroep op bedrijf. In dit kader merkt de Afdeling op, dat de boekhouder van [appellant] onderneming kennelijk heeft gehandeld met een algemene machtiging van [appellant], die na de beëindiging van de onderneming niet door hem is ingetrokken. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

18-615.