Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200807266/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) het verzoek van de vereniging Afdeling Haarlem van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) om handhavend op te treden tegen het strijdige gebruik van het pand aan de Lange Begijnestraat 11 te Haarlem (hierna: het perceel) door Stichting Stadsschouwburg en Concertgebouw Haarlem, mede handelend onder de naam de Philharmonie (hierna: de Philharmonie), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200807266/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Afdeling Haarlem van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland, gevestigd te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2008 in zaak nr. 07/2688 in het geding tussen:

de vereniging Afdeling Haarlem van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (hierna: het college) het verzoek van de vereniging Afdeling Haarlem van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: KHN) om handhavend op te treden tegen het strijdige gebruik van het pand aan de Lange Begijnestraat 11 te Haarlem (hierna: het perceel) door Stichting Stadsschouwburg en Concertgebouw Haarlem, mede handelend onder de naam de Philharmonie (hierna: de Philharmonie), afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het college het daartegen door KHN gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 augustus 2008, verzonden op 19 augustus 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door KHN ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2007 vernietigd, het door KHN gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 december 2006 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft KHN bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 oktober 2008.

De Philharmonie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. Bos, ambtenaar in dienst van de gemeente, is verschenen.

Voorts is ter zitting de Philharmonie, vertegenwoordigd door drs. M. Hansen, bijgestaan door mr. H. van lier, advocaat te Haarlem, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degenen wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat KHN niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een rechtstreeks betrokken belang heeft bij het besluit van 1 december 2006. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008 in zaak nr. 200704687/1, heeft de rechtbank overwogen dat de bewijslast ter zake van een mogelijk rechtstreeks (concurrentie)belang bij KHN ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is KHN er niet in geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat het concurrentiebelang van (enkele van) haar leden in geding is.

2.3. KHN kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Zij betoogt dat de door haar gewraakte activiteiten van de Philharmonie hetzelfde marktsegment betreffen als dat van haar leden, namelijk horeca-activiteiten, zodat gelet daarop moet worden geconcludeerd dat die leden als gevolg van die activiteiten oneerlijke concurrentie kunnen ondervinden en derhalve in hun belangen worden getroffen. Volgens KHN heeft de rechtbank niet onderkend dat in de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008 sprake was van verschillende marktsegmenten. Vanwege de uiteenlopende aard van de marktsegmenten heeft de vereniging Afdeling Breda van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland niet aannemelijk kunnen maken dat de exploitatie van beurzen en (rommel)markten omzetverlies bij haar leden tot gevolg heeft en is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. De wijze waarop de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2008 heeft uitgelegd, heeft tot gevolg dat artikel 1:2, derde lid, van de Awb een dode letter wordt, aldus KHN.

2.3.1. Artikel 3 van de statuten van KHN bepaalt dat de vereniging ten doel heeft in het gebied Kennemerland de algemene materiële en immateriële (bedrijfs)belangen van de leden en de bedrijfscategorieën waartoe deze behoren te behartigen, zulks in overeenstemming met het doel in de statuten van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland (hierna: het verbond).

Artikel 4 van de statuten van het verbond bepaalt dat de vereniging zich ten doel stelt de behartiging van de materiële en immateriële (bedrijfs)belangen van haar leden in de meest ruime zin des woords, alsmede van het hotel, restaurant, café en aanverwant bedrijf, eveneens in de ruimste zin des woords.

Volgens de statuten is de doelstelling van KHN derhalve op te komen voor de belangen van haar leden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2006 in zaak nr. 200507730/1), komt een vereniging die voor het belang van haar leden opkomt, daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt. Niet is gebleken dat KHN in dit geval slechts voor een enkel lid opkomt. De belangen van de leden van KHN omvatten, zoals volgt uit de statuten, zowel materiële als immateriële belangen. Naar het oordeel van de Afdeling valt daaronder ook het belang van eerlijke concurrentie. Dat belang wordt in dit geval geschonden, nu KHN stelt dat de Philharmonie op het perceel horeca-activiteiten uitoefent in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en aannemelijk is dat verschillende leden van KHN daardoor omzetverlies lijden.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het door KHN in het bijzonder behartigde belang rechtstreeks bij het aan de orde zijnde besluit is betrokken en dat KHN derhalve als belanghebbende bij dit besluit dient te worden aangemerkt. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Ter zitting is vast komen te staan dat het college bij besluit van 17 januari 2008 aan de Philharmonie vrijstelling heeft verleend voor het uitoefenen van horeca-activiteiten op de eerste verdieping van het pand op het perceel. Ten tijde van de aangevallen uitspraak was derhalve geen sprake meer van een met het ter plaatse geldende bestemmingsplan strijdig gebruik, zodat KHN geen procesbelang meer had bij een beoordeling van haar beroep. De rechtbank had het beroep van KHN tegen het besluit van 8 mei 2007 dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van KHN tegen het besluit van 8 mei 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. In deze situatie is er geen aanleiding om te bepalen dat het door KHN in hoger beroep betaalde griffierecht door de gemeente Haarlem moet worden vergoed. Een redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat - naar analogie van artikel 41, vijfde lid, van die wet - het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan KHN wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2008 in zaak nr. 07/2688, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 gegrond is verklaard, het besluit van 8 mei 2007 is vernietigd, het door KHN gemaakte bezwaar tegen het besluit van 1 december 2006 niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, het college is veroordeeld in de door KHN gemaakte proceskosten en het college is gelast het door KHN betaalde griffierecht te vergoeden;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 8 mei 2007 niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan KHN het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

531.