Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808718/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 13 augustus 2008, die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning, ligboxenmelkstal en kapschuur op het perceel [locatie] te Olst (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808718/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 10 november 2008 in zaak nrs. 08/1581 en 08/1634 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 13 augustus 2008, die zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), heeft het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe (hierna: het college) aan [vergunninghouder A] en [vergunninghouder B] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning, ligboxenmelkstal en kapschuur op het perceel [locatie] te Olst (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 10 november 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellanten] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben bij brief van 11 december 2008 een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2009, waar [een der appellanten], en het college, vertegenwoordigd door

mr. P.J. Bijleveld, ambtenaar in dienst van de gemeente, en bijgestaan door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [vergunninghouder A] en [belanghebbende], vertegenwoordiger van de stichting IJssellandschap, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Olst" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken". De woning, ligboxenmelkstal en kapschuur zijn voor een groot deel voorzien buiten het bouwvlak. Om die reden heeft het college voor het bouwplan vrijstelling verleend krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

2.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstig bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.3. [appellanten] betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan volgens hen nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf betreft en het in strijd is met hetgeen in het streekplan Overijssel 2000 + (hierna: het streekplan) ten aanzien van nieuwvestiging binnen de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (hierna: PEHS) is opgenomen.

2.3.1. Het perceel is, voor zover thans van belang, in het streekplan gelegen in de PEHS. Nieuwvestiging van landbouwbedrijven binnen de PEHS is volgens paragraaf 4.2.3.3. van het streekplan alleen mogelijk als onderdeel van een integrale gebiedsgerichte aanpak waarbij per saldo de natuurwaarden worden versterkt. Het perceel is voorts, voor zover thans van belang, gelegen in een gebied dat is aangeduid als "zone II: landbouw en cultuurlandschap". Deze zone wordt in paragraaf 4.2.2 van het streekplan gekenschetst als landbouwgebied met waarden van landschap en cultureel erfgoed (beplantingselementen, waardevol open, grootschalig landschap al dan niet met weidevogels, kleinschalig reliëf, essen, karakteristieke bebouwing, archeologisch belangrijke gebieden). Ten aanzien van zone II is het beleid van het college van gedeputeerde staten van Overijssel gericht op ontwikkeling van landbouw met behoud en ontwikkeling van landschap, cultureel erfgoed en recreatie. In deze zone is (her)vestiging van landbouwbedrijven mogelijk, mits deze in de structuur van het landschap en het cultureel erfgoed inpasbaar zijn.

2.3.2. Het streekplan kent geen definitie van nieuwvestiging en hervestiging. Vast staat dat het bestemmingsplan de vestiging van een melkveebedrijf op het perceel toestaat en op het perceel eerder een melkveebedrijf was gevestigd. Weliswaar zijn de activiteiten van dit melkveebedrijf in 1998 beëindigd, maar nadien hebben steeds in beperkte mate agrarische activiteiten op het perceel plaatsgevonden. De op het perceel aanwezige opstallen van het voormalige melkveebedrijf zijn voorts na beëindiging van dit bedrijf in stand gebleven en pas eind 2007 verwijderd ten behoeve van het onderhavige bouwplan.

Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het bouwplan geen nieuwvestiging, maar hervestiging van een landbouwbedrijf betreft. Het bepaalde in het streekplan ten aanzien van nieuwvestiging is derhalve niet op het bouwplan van toepassing. Het is voorts niet gebleken dat het bouwplan in strijd is met hetgeen in het streekplan is opgenomen met betrekking tot hervestiging van een landbouwbedrijf. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan past binnen het landschapsontwikkelingsplan van 27 februari 2008, dat is opgesteld in samenwerking met de ervenconsulent van Het Oversticht en waarin uitdrukkelijk rekening wordt gehouden met het open landschap en kenmerkende beplantingselementen. Voorts maken agrarische bedrijven van oudsher deel uit van het landgoed waarbinnen het perceel is gelegen en blijft in die zin het cultuurhistorisch karakter van dit landgoed met het bouwplan bewaard.

Het betoog faalt.

2.3.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van Staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

414-580.