Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200806865/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het aanbrengen van een raam in de achtergevel van het gebouw aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 50
Burgerlijk Wetboek Boek 5 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806865/1/H1.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2008 in zaak nr. 07/3291 in het geding tussen:

[wederpartijen], beide gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het aanbrengen van een raam in de achtergevel van het gebouw aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft het college het door [wederpartijen] (hierna in enkelvoud: [wederpartij]) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend en het besluit van 30 januari 2007 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 21 juli 2008, verzonden op 29 juli 2008, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2007 vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van [wederpartij]. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2008, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 30 januari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, dat besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering ervan en vrijstelling verleend onder de voorwaarden dat het raam wordt uitgevoerd in melkglas en dat het vaste raam niet mag worden vervangen door een raam dat open kan.

[appellant] heeft een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. F.E. de Neef, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Wagenmakers, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien rust ingevolge het bestemmingsplan "Minervahaven Noord" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Verkeersareaal (Va)". Het bouwplan is daarmee in strijd. Het college heeft daarvoor krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

Het bouwplan voorziet in een raam in de blinde achtergevel van één van de units van een bedrijfsverzamelgebouw aan de Archangelkade. De desbetreffende unit is in gebruik als fotostudio, terwijl de daarbij behorende vergaderruimte annex keuken wordt begrensd door genoemde blinde achtergevel. Deze achtergevel bevindt zich op de erfgrens met het naastgelegen perceel waarop het bouwbedrijf van [wederpartij] is gevestigd. Onder het voorziene raam bevinden zich de afzuiginstallatie en enkele puinbakken van het bouwbedrijf.

2.1.1. [appellant] heeft ter zitting zijn hoger beroep beperkt tot de in het nieuwe besluit op bezwaar van 23 maart 2009 neergelegde voorwaarde dat het raam wordt uitgevoerd in melkglas. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in de belangenafweging geen rol kan spelen, omdat [wederpartij] eigenlijk geen bezwaar heeft tegen zicht op zijn erf en in zijn bedrijfspand, maar slechts vreest dat na realisering van het bouwplan [appellant] en mogelijk toekomstige gebruikers van de unit zullen klagen over stof- en geluidsoverlast ten gevolge van het bedrijf van [wederpartij].

2.1.2. Ingevolge artikel 5:50 BW, eerste lid, is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

Ingevolge artikel 5:51 BW mogen in muren, staande binnen de in het vorige artikel gegeven afstand, steeds lichtopeningen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien.

2.1.3. Het betoog van [appellant] slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2007 in zaak nr. 200608551/1) kan een civielrechtelijke belemmering met evident karakter aan de verlening van een vrijstelling in de weg staan. Een dergelijke belemmering doet zich in dit geval voor. Het besluit van 4 juli 2007 voorziet immers in een doorzichtig venster op minder dan twee meter van de grenslijn van het naburig erf van [wederpartij], terwijl vast staat dat deze, als eigenaar van dat erf, daartoe geen toestemming heeft gegeven. De reden waarom [wederpartij] geen toestemming heeft gegeven, doet, anders dan [appellant] betoogt, niet af aan de omstandigheid dat er een civielrechtelijke belemmering met evident karakter is. De rechtbank heeft reeds hierom terecht overwogen dat het college dit aspect van het burenrecht bij de belangenafweging had dienen te betrekken.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Dit besluit is, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, eveneens onderwerp van dit geding.

2.4. [wederpartij] betoogt dat het college opnieuw onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Hij voert hiertoe aan dat in de toekomst [appellant] of diens rechtsopvolgers het vaste raam kunnen vervangen door een raam dat kan worden geopend, met als gevolg dat er alsnog klachten zullen komen over stof- en geluidsoverlast ten gevolge van zijn bedrijf. Voorts verzet hij zich tegen een raam van melkglas, omdat hij in het geheel geen raam wenst.

[appellant] betoogt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen door als voorwaarde te stellen dat het raam volledig van melkglas dient te zijn. Hij voert hiertoe aan slechts akkoord te zijn gegaan met een raam dat zodanig ondoorzichtig is, dat geen uitzicht op het erf van [wederpartij] wordt geboden. Vanwege de hoogte van het raam is uitzicht op het erf van [wederpartij] reeds onmogelijk, indien het raam voor tweederde deel, te weten aan de onderzijde, van melkglas en voor één derde deel, te weten aan de bovenzijde, doorzichtig is, aldus [appellant].

2.4.1. Deze betogen slagen niet. In het besluit van 23 maart 2009 is als voorwaarde bij de bouwvergunning opgenomen dat het raam niet kan worden geopend. Het college kan derhalve handhavend optreden, indien van die voorwaarde wordt afgeweken. Ter zitting heeft het college medegedeeld dat ook te zullen doen. Voorts heeft [appellant] ter zitting medegedeeld deze voorwaarde ook als kettingbeding te zullen opnemen in een overeenkomst met een rechtsopvolger.

In het besluit van 23 maart 2009 is tevens als voorwaarde opgenomen dat het raam wordt uitgevoerd in melkglas. Daarmee is voldaan aan het bepaalde in artikel 5:51 BW, zodat het bepaalde in artikel 5:50, eerste lid, BW geen civielrechtelijke belemmering met evident karakter meer vormt die aan verlening van de vrijstelling in de weg kan staan. Dat [wederpartij] een raam in melkglas niet wenst, doet daar niet aan af, omdat in artikel 5:51 BW, anders dan in artikel 5:50, eerste lid, BW, niet de toestemming van de eigenaar van het naburige erf is vereist. Dat [appellant] voorkeur heeft voor een raam dat gedeeltelijk ondoorzichtig is uitgevoerd, doet daar evenmin aan af, nu artikel 5:51 BW bij het ontbreken van een daartoe strekkende toestemming van de eigenaar van het naburig erf niet in die mogelijkheid voorziet.

Het college heeft, door in het besluit van 23 maart 2009 de voorwaarden op te nemen dat het raam wordt uitgevoerd in melkglas en dat het vaste raam niet mag worden vervangen door een raam dat open kan, in redelijkheid aan de belangen van [appellant] bij het aanbrengen van een raam in de blinde achtergevel van zijn bedrijfsunit een groter gewicht kunnen toekennen dan aan die van [wederpartij] bij het ontbreken van dat raam.

2.4.2. In de omstandigheid dat [wederpartij] ter zitting te kennen heeft gegeven dat, indien de Afdeling van oordeel is dat het college in redelijkheid vrijstelling voor het raam heeft kunnen verlenen, hij geen bezwaar heeft tegen uitvoering van dat raam voor tweederde deel (aan de onderzijde) in melkglas en voor één derde deel (aan de bovenzijde) in doorzichtig glas, is evenmin grond te vinden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor een raam dat geheel in melkglas is uitgevoerd, nu [wederpartij] ten tijde van het besluit op bezwaar van 23 maart 2009 niet akkoord was met een raam dat niet geheel ondoorzichtig is. Wel staat het het college vrij het besluit op bezwaar van 23 maart 2009 alsnog te wijzigen in de hiervoor beschreven zin.

2.5. De beroepen van [appellant] en [wederpartij] tegen het besluit van 23 maart 2009 zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart de beroepen tegen het besluit van 23 maart 2009 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009

488.