Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BI9652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-06-2009
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
200808223/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Weert (hierna: de raad) bij besluit van 30 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "2e partiële herziening van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen Oost en West" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200808223/2/R2.

Datum uitspraak: 15 juni 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats], en haar vennoten vennoot A] en [vennoot B],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Weert (hierna: de raad) bij besluit van 30 januari 2008 vastgestelde bestemmingsplan "2e partiële herziening van het bestemmingsplan Bedrijventerreinen Oost en West" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [verzoekster], [vennoot A] en [vennoot B] (hierna: [verzoekster] en anderen) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 15 december 2008.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2009, hebben [verzoekster] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekster] en anderen alsmede [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 mei 2009, waar [verzoekster] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Poels, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts zijn daar de raad, vertegenwoordigd door G.J.F.M. Vosdellen, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Rosmalen, als partijen gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting stukken overgelegd.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [belanghebbende] betwist dat met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening een spoedeisend belang is gemoeid. Zij wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2007 in zaak nr. 200704478/1.

2.2.1. Het plan betreft een herziening van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Oost en West". Het plan voorziet in de wijziging van milieucategorie 3 naar milieucategorie 4 voor wat betreft het perceel [locatie 1]/[locatie 2], waar het vuiloverslagstation van [belanghebbende] is gevestigd. Vast staat dat het plan recentelijk als basis heeft gediend voor het verlenen van een bouwvergunning aan [belanghebbende] voor een sorteer- en shredderinstallatie en dat het college van burgemeester en wethouders van Weert nog een besluit moet nemen op het tegen deze bouwvergunning door [verzoekster] en anderen ingediende bezwaar. Naar het oordeel van de voorzitter is in zoverre een spoedeisend belang met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gemoeid. Immers bij het nemen van een besluit op bezwaar tegen de verleende bouwvergunning zou een eventuele schorsing van het bestreden besluit in acht moeten worden genomen. De uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2007, waarin is beslist over het hoger beroep van [belanghebbende] tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond, is daarbij niet van belang. Weliswaar was in die zaak een bouwvergunning en vrijstelling voor een nieuwe loods en de daarin plaatsvindende bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 2] aan de orde, maar uit voormelde uitspraak volgt niet, zoals [belanghebbende] heeft aangevoerd, dat de bedoelde sorteer- en shredderinstallatie, waarvan niet in geschil is dat deze zelfstandig bouwvergunningplichtig is, planologisch reeds is toegestaan.

2.3. Volgens [verzoekster] en anderen is ten onrechte niet onderkend dat in het onderhavige geval een (beoordelings)plicht tot het maken van een milieu-effectrapportage bestaat. Zij wijzen daarbij op de categorieën 18.2 en 18.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit mer).

2.3.1. Voor zover de raad en [belanghebbende] hebben betoogd dat deze grond in een te laat stadium is voorgedragen en niet steunt op een eerder naar voren gebrachte zienswijze of bedenking, overweegt de voorzitter het volgende. [verzoekster] en anderen hebben het desbetreffende bezwaar aangevoerd in hun brief van 25 maart 2009, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2009, derhalve geruime tijd voor de Afdeling in de bodemprocedure het beroep ter zitting zal behandelen. De eerder naar voren gebrachte zienswijze en bedenkingen van [verzoekster] en anderen richten zich, evenals het beroep, tegen het gehele plan. Het bezwaar met betrekking tot de (beoordelings)plicht tot het maken van een milieu-effectrapportage kan in zoverre worden beschouwd als nader argument van [verzoekster] en anderen waarom zij zich niet met het plan kunnen verenigen. Gezien het voorgaande verwacht de voorzitter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure het beroep van [verzoekster] en anderen op dit punt niet-ontvankelijk zal verklaren of buiten beschouwing zal laten.

2.3.2. Daargelaten de vraag of het plan activiteiten mogelijk maakt als bedoeld in de categorieën 18.2 en 18.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit mer, overweegt de voorzitter ten aanzien van de in deze categorieën opgenomen drempelwaarden het volgende. Zowel de raad als [belanghebbende] hebben gemotiveerd betoogd dat in het onderhavige geval geen afvalstoffen in de hoeveelheden als bedoeld in de categorieën 18.2 en 18.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit mer aan de orde zijn. Hetgeen [verzoekster] en anderen hebben aangevoerd geeft onvoldoende aanknopingspunten om aan dit betoog te twijfelen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de getallen waarop [verzoekster] en anderen zich hebben beroepen, betrekking hebben op de zogenoemde doorzetcapaciteit van de (tankplaats van de) inrichting per jaar dan wel de oppervlakte van het terrein van de inrichting ten behoeve van een grondbank. Deze getallen kunnen zonder omrekening niet worden gerelateerd aan de hoeveelheden afvalstoffen genoemd in de categorieën 18.2 en 18.3 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit mer. [verzoekster] en anderen hebben deze omrekening evenwel niet gegeven. Gezien het voorgaande is er voorshands geen aanknopingspunt dat de drempelwaarden van de desbetreffende categorieën van het Besluit mer in dit geval worden overschreden en een (beoordelings)plicht tot het maken van een milieu-effectrapportage bestaat.

2.4. [verzoekster] en anderen voeren aan dat het plan zich niet verdraagt met het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Oost en West", waarin bewust een milieucategorie 3 is opgenomen ter plaatse van het perceel van [belanghebbende]. Volgens [verzoekster] en anderen verdraagt het plan zich verder niet met het gemeentelijk structuurplan en het provinciaal streekplan.

2.4.1. Blijkens de stukken is in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oost en West" voor het perceel [locatie 1]/[locatie 2] destijds milieucategorie 3 opgenomen om de toenmalige feitelijke situatie, waarin sprake was van een groothandel in bouwmaterialen en transportbedrijf, als zodanig te bestemmen. Het staat de raad vrij om deze milieucategorie vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te wijzigen. Dat de thans toegekende milieucategorie 4 onverenigbaar zou zijn met het Structuurplan Gemeente Weert 1998 valt voorshands niet in te zien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het desbetreffende perceel is gelegen op het bedrijventerrein "Kanaalzone III" en in voormeld gemeentelijk structuurplan wordt overwogen dat het bedrijventerrein "Kanaalzone III" voldoet aan een profiel waarbinnen maximaal milieucategorie 4 toegestaan moet zijn. Voor het oordeel dat de thans toegekende milieucategorie 4 in strijd met het provinciaal streekplan zou zijn, ziet de voorzitter in het door [verzoekster] en anderen tot dusverre aangevoerde evenmin een aanknopingspunt.

2.5. [verzoekster] en anderen voeren voorts aan dat een te korte afstand wordt aangehouden tot hun bedrijfswoning op het perceel [locatie 3]. Zij wijzen daarbij op de richtafstanden van de Brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

2.5.1. De in bijlage 1 van de VNG-brochure opgenomen richtafstanden zijn niet toegesneden op een geval als het onderhavige waarin sprake is van een bestaande bedrijfswoning op een bestaand bedrijventerrein. Voormelde richtafstanden zijn namelijk afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die in nieuwe situaties wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype. Aan voormelde richtafstanden kan dan ook niet de door [verzoekster] en anderen gewenste betekenis worden toegekend.

2.6. [verzoekster] en anderen voeren verder aan dat de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit ten onrechte niet zijn beoordeeld.

2.6.1. Ingevolge artikel V van de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen) is titel 5.2 van de Wet milieubeheer en de daarbij behorende regelgeving van toepassing. [verzoekster] en anderen hebben evenwel geen gegevens verstrekt die enig aanknopingspunt bieden dat in het onderhavige geval één van de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden wordt overschreden.

2.7. In hetgeen [verzoekster] en anderen voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzitter evenmin een aanknopingspunt voor schorsing van het bestreden besluit.

2.8. Gezien het vorenstaande en bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009